Auteur: Bertie Velthuis

In de B&B’s 2023-2 en 2023-3 berichtte ik over het vinden en verplaatsen van de offersteen. Het is mij dan niet geheel duidelijk wanneer deze steen precies is opgegraven. Op basis van het schrijven van Albert Meijling kom ik tot de conclusie dat dit ongeveer tussen de jaren 1910 en 1916 zou moeten zijn gebeurd. Deze ‘raming’ blijkt niet geheel juist. Het is half 1923 gebeurd.
De marktsteen
In de gemeenteraadsvergadering van 9 februari 1923 komt een adres (verzoek) van het plaatselijke huldigingscomité Regeringsjubileum van H.M. de Koningin aan de orde om als ‘ene herinnering aan dit jubileum den marktsteen wederom op te graven’. B. en W. stellen voor om enige gemeentearbeiders hiervoor beschikbaar te stellen. De raad neemt dit voorstel met algemene stemmen aan. In de Provinciaal Overijsselse en Zwolse Courant van 14 september 1923 en andere dagbladen stond, samengevat, het volgende: De dikke steen, die in grootte zeer is tegengevallen, lag reeds enige maanden op het Marktplein en het was oorspronkelijk de bedoeling deze met ‘de feesten’ (zie hierna) in te wijden. Omdat de grootte van de kei nogal tegenviel is afgezien van de feestelijke inwijding. De steen is aangekocht door de fam. Meijling en heeft een plaatsje gekregen voor de nieuwe woning dezer familie gelegen aan de Markt alhier. De fam. Meijling diende een bedrag van fl. 10,- te betalen om in het bezit van de steen te komen.
De bouwvergunning voor bedoelde woning werd op 6 maart 1923 verleend aan de N.V. tot exploitatie der onroerende goederen van wijlen de H. Meijling Gzn. De aanvrager had aangegeven dat de woning binnen 5 maanden zou zijn voltooid. De woning zou dus zeker half augustus 1923 gereed moeten zijn geweest. Dit is kennelijk niet geheel gelukt. Op 18 september 1923 wordt nog een vergunning verleend voor een ijzeren hekwerk dat langs het in aanbouw zijnde woning moest worden geplaatst. De steen heeft achter dit hekwerk gelegen.
Een ‘discussie tussen van Deinse en Bernink
Toen in 1928 ‘de groote kei’ voor het aan de Lasondersingel te Enschede in aanbouw zijn de Rijksmuseum werd geplaatst bleek er nogal wat verwarring te bestaan omtrent de herkomst van deze grote stenen in Twente en aangrenzende gebieden, met name Drenthe. Opvallend is dat bij de publicaties over deze, wat wij nu een zwerfkei, noemen, in 1928 werd aangeduid als ‘kei’.

J.J. van Deinse, de grote initiator van de Twentse cultuur, hij ontwierp de Twentse vlag en schreef het Twentse volkslied, schrijft over de herkomst van deze keien in de Tubantia van 20 juni 1928 dat deze stenen op grote ijsbrokken, beladen met zware stenen, grind en zand, afbraken van het bergijs dat toen Zweden, Noorwegen, Finland enz. tot aan den zeespiegel bedekte. Ze dreven in de zee ten spel van stromen en winden. Geheel noord Europa was met sneeuw en ijs bedekt ook ons land, dat waarschijnlijk gedeeltelijk nog onder zee lag. Dat drijfijs smolt ten slotte in deze streken en de steenvracht, die het mede voerde viel op den bodem der zee of van het land en zoo zijn onze heiden en zandverstuivingen ontstaan met de keien en werfblokken, die men er nog in vindt. Deze laatste gesteenten zijn van de zelfde soorten, waaruit nu nog de rotsen in Noord Europa bestaan. Tevens schreef hij: de Twentsche boeren geloven in ’t algemeen niet veel van dat aandrijven dezer grote stenen in den ijstijd, doch zijn van mening dat die stenen ter plaatse in den grond groeien, evenals de brokken ijzererts. Nog dezer dagen met een landbouwer daarover pratende voegde die ons toe, sprekend over een anderen groten steen, die dicht bij zijn erf lag: “I-j könt mij alles wal vertellen meer ik zeg ow, dat ze in de groond wast. Do ik ‘nen kleinen jong was, was e lang nich zoo groot as now.” Praat daar nu maar eens tegen!
Meester J.B. Bernink, de stichter van Natura Docet te Denekamp, reageert hier op 22 juni 1928 onmiddellijk op met: ‘De heer van Deinse schrijft: ‘De Twentse boeren geloven in ’t algemeen niet veel van dat aandrijven dezer grote stenen in den ijstijd. Nu daar hebben ze ook groot gelijk in. Want het is niet waar. De meeste jonge boeren weten al beter. Dat de grote keien zouden aangedreven zijn op reusachtige ijsblokken was langjarig de theorie van Lyel , een Engelse geoloog, waar ook Staring (overleden 1877) een aanhanger van was. Deze theorie van drijvende ijsbergen wordt kortweg de Drifttheorie genoemd. Ze werd in 1875 door den Zweed Torell op een vergadering van Duitse geologen te Berlijn vervangen door de Inlands-ijs theorie. Dit wil zeggen: Zware ijsmassa’s schoven van Zweden en Finland over den bodem als machtige gletsjertongen en bedekten dal en heuvel met een al maar voort schuivende ijslaag, die aan den voorrand wel voortdurend afsmolt, in Twente plm. 30 meter dik was en wist voort te dringen ongeveer tot de lijn: Nijmegen-Amsterdam. Daar kwam het ijs tot stilstand. Het klimaat was daar zoo gunstig, dat de af-smelting den aanwas overtrof. In die dikke schuivende, zwaar op den bodem drukkende ijslaag zaten de stenen van de Noordse gebergten, puin en zand en klei vastgevroren. Zoo zijn al de grote Noordse keien hier gekomen.’ Hij eindigt zijn betoog met de opmerking: ‘Wie daarvan een en ander wil zien en leren en tastbare bewijzen in handen wil hebben, vervoege zich eens aan Natura Docet.’


Van Deinse reageert op dezelfde pagina hierop vrij koeltjes. Hij schrijft: ‘Of de stenen het nu aangedreven of aangeschoven zijn, ze zijn hoe dan ook aangevoerd door ijs dat ze bij het smelten hier heeft laten vallen. Maar de boeren geloven evenmin dat de stenen door het ijs uit het Noorden zijn aangeschoven. Misschien jonge ontwikkelde boeren, maar veel ouderen, ik heb dat dikwijls gehoord, menen eenvoudig nog altijd, zoals ik schreef, dat de grote keien in den grond groeien.’
De verklaring
De gedachte die men had over het ‘groeien van stenen in de grond’ is als volgt te verklaren: boeren werden bij het ploegen jarenlang niet geconfronteerd met het ‘aanploegen’ van stenen, terwijl dit een jaar later plotseling wel gebeurde. De gedachte werd nog eens versterkt toen men, bij het ontginnen van heidevelden stenen aantrof met allerlei kleine worteltjes eraan. De worteltjes van heideplanten zijn erg dun en hechten zich aan het poreus verweerde steenoppervlak.
De werkelijke oorzaak dat de keien naar de oppervlakte komen ligt in de winterperiode, vooral met een paar stevige vorstperioden. Huisman: ‘Stenen zijn compact en massief, de grond eromheen is dat veel minder. Op de overgang van steen naar de omringende grond ontstaan door bodemvocht ijskristallen. Als water bevriest neemt het meer ruimte in. Grond en stenen worden daardoor een ietsepietsie omhoog gedrukt. Als het gaat dooien dan houden de keien, doordat ze erg compact zijn, de koude langer vast dan de grond eromheen. De vochtige ontdooide grond zakt wat terug, maar de ijskristallen onder de kei verhinderen dat de steen ook terug zakt.’
(–> naar PDF-versie van deze publicatie)
(–> naar Inhoudsopgave 2024-01)
(–> naar Boorn & Boerschop pagina)