Auteur: Bertie Velthuis

Wie kent niet het sprookje van de Kikkerkoning? Het sprookje dat in 1812 door de gebroeders Grim is opgetekend. Kennelijk vonden ze het heel belangrijk, wat het is het eerste sprookje in het boek Kinder- und Hausmärchen.
Het sprookje staat ook bekend onder de naam “de IJzeren Hendrik”. Het sprookje handelt over een kikker die na een kus van de prinses verandert in een jonge prins. In de loop der jaren zijn er verschillende versies van dit sprookje ontstaan. En, er is ook een Bornse versie, gelukkig geen sprookjesversie maar een waar gebeurd verhaal. Wat is er gebeurd? Wel, een inwoner van Borne kweekt tienduizend(en) kikkers en wordt in de landelijke pers “de kikkerkoning van Borne” genoemd.
De Kikkerkoning
Tot kikkerkoning van Borne wordt Bernhard Sanderink gekroond. Bernhard is in 1908 in Borne geboren. Hij moet, als zoveel koningen voor hem, en ook thans nog, vele jaren, in zijn geval 66 jaar, wachten tot hij de titel krijgt. We beginnen in het voorjaar van 1974, 50 jaar geleden dus. Bernhard was tot 1965 uitvoerder bij een bouwbedrijf. Hij was ondernemend en is in dat jaar zijn eigen betonfabriek(je) begonnen. Hij maakte betonpalen en betonplaten waarvan schuttingen, schuurtjes en garages werden samengesteld. Spoedig zag hij dat met handel meer verdiend kon woorden dan met productie en zo startte hij een bouwmaterialenhandel, gespecialiseerd in materialen voor stukadoors, met name voor restauratie en renovatie. Hij heeft het bedrijf juist overgedragen aan zijn zoon Ben. Deze draagt het bedrijf in 1988 over aan zijn zoon Benno. Het bedrijf is nog steeds gevestigd aan de Oonksweg 40, juist “achter” de spoorwegovergang, te Borne. Naast informatie uit verschillende landelijke kranten heb ik van Benno informatie gekregen over zijn opa en wat er 50 jaar geleden is gebeurd.
Wat er aan vooraf ging
Bernhard Sanderink begint in 1936 eigenhandig met de bouw van zijn woning. Het is een houten huisje met puntdak.

Het huisje is ter plaatse, hoewel sterk verbouwd, nog steeds aanwezig en heeft de functie van kantoor. Het perceel waarop het huisje is gebouwd is erg laag gelegen. Het was volgens Benno een moeras. Om toch droge voeten te houden heeft Bernhard een gedeelte van het perceel verder verlaagd om grond beschikbaar te krijgen. Het huisje kon zo op een hoger peil worden gebouwd. Hij maakte, zoals het in vakkringen heet, “werk met werk”. Maar, door deze werkzaamheden “ontstond” op een deel van het perceel een nog lager gelegen stuk grond. Bernhard maakte hier een mooie vijver, compleet met een “in werking zijnde” zelf gemaakt betonnen Manneke Pis een echte ophaalbrug. Het was een erg grote vijver. De afmetingen waren ongeveer 25 m. lang en 8 m breed, in 8 vorm. (zie situatietekening) De vijver is ’s winters 2 m. diep en ’s zomers 0,60 m.. Het was een natuurvijver, die zich vulde met grondwater.

Bernhard was een groot natuurliefhebber en is toen begonnen met het kweken van forellen. Hiertoe kocht bij soms de jonge forellen, maar soms slaagde hij er ook in zelf jonge forellen te telen. Ieder weet dat forellen alleen gedijen is helder stromend water. Aan helder water was er in de vijver geen gebrek, het water was namelijk grondwater. Stromen liet Bernard het water door aan het eind van een steiger een in een korf opgeborgen forse pomp, het water in beweging te brengen. Tevens zorgde deze pomp dat er steeds nieuwe zuurstof in het water kwam. Het water stroomde rond in de 8 vormige vijver en de forellen zwommen voortdurend tegen de stroom in. Voor het schoonhouden van het water zorgden 20 tot 25 volwassen graskarpers Op deze wijze slaagde hij er in ieder jaar tot duizend forellen groot te brengen en aan de regionale horeca te leveren. Voor het (op)kweken van de erg jonge forellen beschikte Bernhard over 2 betonnen bakken van 4 m. lang, 2 m. breed en 1 m. diep. Uiteraard had hij deze bakken in zijn eigen betonfabriek zelf gemaakt. Deze bakken waren niet “vierkant”. De opstaande wanden stonden in een hoek van ongeveer 60 graden met de bodem, zodat een soort “slootprofiel” ontstond. In een bak werden de kleinste forelletjes gehouden om ze, wanneer ze wat groter waren, over te plaatsen naar de andere bak. Hier bleven ze tot ze voldoende groot waren om ze naar de vijver te verhuizen.

Het kweken van de kikkers
In 1974 is Bernhard juist met pensioen en staat hij, om reden dat zijn vrouw ziek is, op het punt te verhuizen naar de K. Doormanstraat. Hij stopt met het kweken van forellen. In de vijver vestigen zich kikkers. In het vroege voorjaar zit er kikkerdril in de vijver. Dan zegt Benno, dan 12 jaar. “Ik weet nog veel meer kikkerdril”. Hij weet dat er in de vijvers in de nieuwe wijk ’t Olthof veel kikkerdril zit. Zijn opa Bernard zegt dat hij per aanvoerde emmer kikkerdril een kwartje krijgt. Benno voert 30 tot 35 emmers kikkerdril aan. Deze kikkerdril gaat in de 2 betonnen bakken. Bernard heeft deze bakken eerst op een natuurlijke wijze “aangekleed” door op de bodem en langs de zijkanten grasplaggen te leggen en waterplaten te planten. De kikkerdril loopt uit; de bakken raken vol met dikkopjes. Ze groeien goed, want opa voert ze met restanten forellenvoer, waar ze “gek” op zijn. Eerst verschijnen de achterpootjes, dan de voorpootjes en verdwijnt het staart. Half juni zijn er kleine kikkers. Overzetten van de kleine kikkertjes naar de vijver is niet nodig. De kikkertjes springen uit de bakken en gaan spontaan op weg naar de vijver. Oma Sanderink raakt hiervan soms in de stress. Het terras, de paadjes, de hele tuin en ook die van zijn buren, ziet “zwart” van de kikkers. Opvallend is dat alle kikkerdril uitgroeit tot kikkers. In de bakken is de kikkerdril en zijn de jonge kikkers beschermd tegen allerlei rovers als vogel en vissen. In de ‘vrije natuur” gaan er erg veel verloren. Half juli is het tijd om de kikkers te verplaatsen. In grote bakken gevuld met water (en kikkers), afgedekt met plasticfolie opdat ze niet uit de bakken springen, worden ze in de auto van Bernard, maar ook met emmers op de fiets naar vele sloten, en natte percelen in de omgeving van Borne gebracht. Ze gaan ook naar het Almelo-Nordhorn kanaal, de vijver bij het watermachientje en naar het kleigat. Opa en Benno zijn hier dagen lang mee bezig.
Bernhard Sanderink
Bernhard is een echt buitenmens. Tijdens een interview met de Leeuwarder krant zegt hij “Ik zou in een stad niet kunnen wonen”. Uren zat hij bij de vijver te kijken. Hij heeft een duidelijke mening over de teruggang van de natuur. Er vallen hem meer dingen op. Zo zegt hij “vroeger stikte het hier van de zwaluwen”. Vorig jaar was er nog een nest, nu niet een meer. Voor hem is duidelijk dat milieuvervuiling de oorzaak is. Hij wijt dit op de eerste plaats aan de bespuitingen met insecticiden. Ook zegt hij: “ De vogels vinden hier geen voedsel meer. Bovendien worden ze tijdens de trek boven Italië bij duizenden neergeknald voor de consumptie. Men zegt dat Italianen per feestmaal 20 van die kleine gebraden vogeltjes verorberen”. Hij denkt dat wanneer we niet ingrijpen het fout gaat. Overal is afbraak in de natuur. De mens kan zorgen voor herstel. De natuur kan het herstel zelf in evenwicht houden.
Bernard verwijst naar een Duitse professor, die gezegd zou hebben “Geen vogels en vissen, geen mensen meer. Dit is misschien wat overdreven maar er zit een waarheid in.
Hij verwijst hier waarschijnlijk naar de uitspraak van Albert Einstein die sprak over het verdwijnen van bijen en de gevolgen hiervan voor de mensheid. Wellicht heeft Bernard, wanneer hij de uitspraak van Albert Einstein doortrekt naar vissen en vogels, wel gelijk. Ook deze zijn, voor het welbevinden van mensen van groot belang.
Hij hoopt dat er ooit nog eens weer meer kikkers in ons land zullen komen. Kikkers zijn namelijk het belangrijkste voedsel voor ooievaars en het is dus eigenlijk niet verwonderlijk dat er zo weinig ooievaars zijn. Kikkers eten mugjes en insecten, vissen eten jonge kikkers en vogels zoals reigers en ooievaars zorgen er wel voor dat er niet te veel volwassen kikkers over blijven. Alles heeft een taak, zo is de natuur.
In 1996 waren er in Nederland nog 6 in het wild broedende ooievaarskoppels. Er is toen bij Liesveld in de Alblasserwaard een ooievaarsdorp opgezet. In 1991 was het aantal vrij vliegende koppels, als gevolg van dit initiatief, reeds gestegen tot boven de 100. Inmiddels vliegen er zoveel ooievaars dat er wordt gezegd dat de vogels schade toebrengen aan de natuur, ze eten immers niet alleen kikkers en muizen maar ook jonge weidevogels die er steeds minder zijn.

Bernhard was in het begin van de zeventiger jaren van de vorige eeuw met zijn filosofie aangaande de stand van de natuur t.o.v. vele landgenoten ver vooruit. Bernard Sanderink is op 81 jarige leeftijd in Nuth (Zuid Limburg) overleden. Hij is in Borne bij zijn echtgenote begraven.
(–> naar PDF-versie van deze publicatie)
(–> naar Inhoudsopgave 2024-02)
(–> naar Boorn & Boerschop pagina)