Boorn & Boerschop 2024-03: Perikelen rond de aanschaf van een motorbrandspuit

geplaatst in: Boorn & Boerschop, Publicatie | 0

Auteur: Bertie Velthuis

Afb. 01: Oude brandpomp

De organisatie van de Brandweer Borne was, voorzichtig gezegd, zeker niet optimaal. Er was tussen eind 1926 en de datum van de brand tussen het college van B.& W. en het College voor de Brandweer niet over een mogelijke reorganisatie gesproken, hoewel deze reorganisatie plannen er zeker wel waren. Uiteindelijk is op 21 mei 1929 het college voor de Brandweer, zei het beperkt, gereorganiseerd. In het artikel stel ik de vraag of er sprake was van 2 colleges voor de Brandweer. Burgemeester Schaepman geeft op 21 april 1928 namelijk aan “dat het reeds lang zijn plan was geweest het oude College voor de Brandweer in vergadering bijeen te roepen”. Kennelijk was er sprake van een nieuw en oud college van Brandweer, zo veronderstelde ik.
Zoekend naar dit “oude” College voor de Brandweer stootte ik op de perikelen rond de aanschaf van een motorbrandspuit. Deze perikelen leidden tot het nemen van ontslag van alle brandmeesters van het “oude” College voor de brandweer, waarna er uiteraard een “nieuw” College voor de brandweer, het college dat op 5 april 1928 zo faalde, ontstond. Dit artikel handelt vooral over de perikelen rond de aanschaf van een motorbrandspuit.

Mijn informatie heb ik gehaald uit het “logboek” van het College voor de Brandweer met daarin de verslagen van haar vergaderingen tussen 13 januari 1876 en 17 juli 1922, alsook uit de verslagen van Raadsvergaderingen en hetgeen hierover in de Bornse Courant en andere regionale dagbladen is verschenen. En vergaderingen van het (oude) College voor de Brandweer.

Mijn zoektocht naar het “oude college” heb ik snel afgerond. Op vrijdag 26 januari 1912 is er, zo lees ik in het “logboek”, een eerste vergadering van het College voor de Brandweer, het wordt gehouden in hotel de Keizerskroon. Het is een “officiële en ook plechtige” vergadering. De voorzitter, de heer H. H. Rühl, opent de vergadering en roept alle heren een hartelijk welkom toe. Hij deelt mede dat er nu een nieuwe “Brandweer” is samengesteld, waartoe de heren heden voor het eerst bij elkaar zijn geroepen. Hij spreekt de wens uit dat alle heren zich bewust zullen zijn van de taak, die zij aanvaard hebben. En dat er in de eerste plaats gerekend mag worden op samenwerking en allen zullen medewerken om tot een goed welslagen van het doel, door stipte uitvoering der hun opgedragen verplichtingen. De heren geven, middels een handdruk aan, in te stemmen met zijn woorden. De voorzitter deelt mede dat hij van burgemeester en wethouders enige brieven heeft ontvangen, waarin hem wordt opgedragen deze vergadering bijeen te roepen. Volgens een ingekomen schrijven van B. & W. d.d. 4 januari 1912 moet in deze vergadering een Regelement van Orde worden vastgesteld. Er is al een concept dat in zijn geheel, zonder enige wijziging, goedgekeurd wordt en aan B.& W. ter bekrachtiging wordt voorgelegd. Uit de ontvangen lijst van B.& W. van “het personeel” (de aangewezen jonge mannen) wordt een lijst opgesteld voor het gehele personeel. En waar blijkt dat deze lijst van B. & W. geen voldoende keus geeft, worden verschillende personen alsnog op deze lijst geplaatst. (Er zijn in totaal 48 personeelsleden die een functie zullen krijgen).

Afb. 02: Het College voor de Brandweer januari 1912. De heer H.H. Rühl is o.a. hij voorzitter van de Ambachts-Avondschool te Borne. De heer C.C. Janse is beambte bij Spanjaard. In 1923, is hij daar 25 jaar in dienst. Kennelijk heeft hij een belangrijke functie, immers in 1918 koopt hij voor Jac. Spanjaard het landgoed “de Vloedbelt”

Bij “personeel” moeten worden gedacht aan jonge mannen uit de gemeente Borne, die op grond van een op 1 januari 1876 inwerking getreden regelement door B.& W., tot een soort dienstplicht bij de brandweer zijn aangewezen. In 1912 was dit regelement nog steeds in werking.
De Directeur, de Opperbrandmeester, de Commandant der brandwacht , de Ondercommandant en de 5 Brandmeesters zijn dan al door het gemeentebestuur benoemd.

Voor de functie van contoleur worden door bovengenoemde functionarissen aan B.& W. voorgesteld de heren G. van den Nieuwenboer, Jan Spekreis, J. Ellenbroek, H. Brok, en J.H. Hilbrink. Ook wordt overgegaan tot het benoemen van een secretaris voor het college voor de Brandweer. Bij acclamatie wordt benoemd de heer C.C. Janse. Van deze benoemingen wordt B. & W. in kennis gesteld. Kennelijk is het College van Brandweer bevoegd deze twee functies zelf in te vullen. Deze functies zijn vooral “administratief”.

In de volgende vergadering blijkt dat het college van B.&W. de voorgedragen personen voor de functie van controleur niet accepteert. Het college vraagt een nader voorstel te doen. De heer A.H. van Dijl wordt als zodanig voorgesteld. Voor de goede orde: er zijn 5 brandspuiten, voor elk der spuiten is er een brandmeester. Ook worden in deze vergadering de “functies” van slangengeleiders, pijpgasten en haken-, lantaarn- en ladderdragers onder de “het personeel” verdeeld. De resterende personeelsleden zijn pompgasten.

Het feit dat ik zo snel een juist aangetreden College voor de Brandweer vind, brengt mij op de gedachte “waren er voor dit College voor de Brandweer” al eerdere College(s) voor de Brandweer? Immers de Bornse brandweer bestaat reeds sinds 1876. En waarom moest er in 1912 een nieuw College voor de Brandweer komen? Vagen die mogelijk in een volgend artikel in dit blad kunnen worden behandeld. Maar nu eerst de vraag: “Waarom het College voor de Brandweer” van 1912 in 1928 “het oude College” wordt genoemd. En er dan over een “nieuw College” wordt gesproken.

Vergaderingen van het College voor de Brandweer

Tijdens alle vergaderingen komen “normale” bedrijfsproblemen aan de orde, zoals het niet aanwezig zijn van een aantal “personeelsleden” en hoe hiertegen op te treden”? Het geen, te weinig of te laat door het gemeentehuis uitbetalen van de vergoedingen aan het personeel, wat tot demotivatie lijdt. Het schema van oefeningen. De volgorde waarin en de plek waar, commandanten, brandmeesters, enz. door de alarmblazers moeten worden gewekt. Het zoekraken van een emmer, het verdwijnen van petroleum voor de stormlantaarns, het gebruik van ladders buiten medeweten van de brandweer. Uit onderzoek naar deze gebeurtenissen blijkt dat brandweermaterieel door het hele dorp wordt gebruikt. Vooral gemeentewerken maakt hiervan gebruik en ”vergeet” het materieel terug te brengen. Maar ook particulieren maken er gebruik van. Zo worden de stormlantaarns gebruikt bij het laden van aardappelen. Deze problemen leiden weer tot de vraag wie over de sleutels van het brandspuitenhuisje beschikt en of er ook bij de buren van het brandspuitenhuisje sleutels moeten zijn. De kwaliteit, de lengte van de slangen, de koppelingen, de waterdichtheid van de kleding van de spuitgasten, met name de slobkousen. Het te weinige water in de brandputten en het vastroesten van putdeksels. De mogelijkheid van een kleine tantième, van een verzekeringsmaatschappij, wanneer een naast een brand gelegen pand, als gevolg van de bluswerkzaamheden, geen/minder schade lijdt. Evaluatie van het optreden van de brandweer, het niet of veel te laat bij een brand aanwezig zijn van een deel van het personeel, met als reden dat ze werkzaam zijn bij de fa. Spanjaard en hoe dit op te lossen. Belangrijk zijn de personele wijzigingen in het personeelsbestand van het College van Brandweer, te weten: De heer H.G. Rientjes krijgt op 26 juni 1914 eervol ontslag als commandant der Brandweer en wordt opgevolgd door de ondercommandant de heer J.H. Doeschot. Deze wordt als ondercommandant weer opgevolgd door de heer J.A. van de Wijk.

De kwaliteit van het brandweer materieel

Naast de bovengenoemde “bedrijfsproblemen” komt vanaf de vergaderingen eind 1916 steeds vaker de kwaliteit van de aanwezige handbrandspuiten aan de orde. Als eerder gezegd zijn er 5 brandpompen, genummerd A. t/m E.. Deze staan opgesteld in het brandspuitenhuisje gesitueerd tegen over de Oude Kerk in Oud Borne. In de vergadering van 30 september 1916 wordt vermeld dat bij de laatste oefening is gebleken dat pomp E. lek is. En komt ook duidelijk aan het licht dat het materiaal, om zo te zeggen, voor het grootste deel uit de mode is en voor de tijd ongeschikt en waardeloos.
Voornamelijk de spuiten C. en D. zijn slecht. Deze zouden waardig naar een museum gebracht kunnen worden. Maar er wordt meer geconstateerd, te weten:

A. het aantal personeelsleden voor de spuiten is te klein. Wanneer er onverhoopt een ernstige brand uitbreekt, zal het personeel niet gedurende een langere tijd dienst kunnen doen. Weliswaar kan er worden opgeroepen om dienst te doen, maar ook dit “volk” moet worden betaald en het is belangrijk en nuttiger voor de brandweer, dat zij beschikt over enigszins geoefend personeel. Er zal aan B. & W. worden voorgesteld het korps uit te breiden van 48 naar 74 mannen. De kosten van deze uitbreiding bedragen per oefening van 2 uur 26 x 60 cent is fl. 15,60.
B. Het materiaal moet worden uitgebreid met een moderne (motor)brandspuit.

Afb. 03: Pomp D (Hier meedoend in de Bevrijdingsoptocht 1985)

Van de punten A. en B. zullen B.& W. op de hoogte worden gesteld. Waarbij eerst moet worden gewerkt aan het uitbreiden van het personeelsbestand en in de naaste toekomst moet worden gedacht aan de aanschaffing van een modernere spuit, hetgeen geen weelde is voor de gemeente. Wanneer er een motorbrandspuit is aangeschaft zouden de brandspuiten A. en B. als reserve kunnen worden gebruikt. Het college voor de brandweer realiseert zich dat de aanschaffing hoge kosten met zich meebrengt; er zullen ook meer brandputten geslagen moeten worden. Echter op personeelskosten kan belangrijk worden bezuinigd. Verstandig zou het zijn om van de werking, bediening en kosten van een motorbrandspuit op de hoogte te worden gesteld. Bij de gemeente Almelo kan de werking van een motorspuit gezamenlijk worden bezichtigd en bestudeerd. Dit kan van nut zijn bij het geven van een advies aan het college van B. & W., wanneer het plan meer vastere vorm heeft aangenomen.

Toeval of niet, er blijkt in juni 1918 een circulaire van het museum voor het brandweerwezen te zijn waarin de heer H.H. Rühl aangeeft dat hij persoon lijk er iets voor voelde om medewerking te verlenen door het afstaan van enig oud materiaal bijv. spuit D. Hij bespreekt dit met toestemming van de leden van het College voor de Brandweer, mits de spuit op een andere wijze wordt geremplaceerd, met de burgemeester. Deze adviseert evenwel er niet aan te beginnen, een oude spuit af te staan; ingeval van nood kan een oude spuit nog van dienst zijn. Uit dit gebeuren kan wel worden geconcludeerd dat de spuit wel erg oud moet zijn.

Het college van Brandweer brengt op 30 november 1916 per trein een bezoek aan Almelo. Ze wordt daar ontvangen door de Almelose opperbrandmeester. Ze zagen een motorbrandspuit inwerking. Het is niet duidelijk welk merk motorbrandspuit te zagen. Wel is men voornemens ook nog eens elders te gaan kijken. Dit bezoek zal een klein jaar later, 9 juni 1917, plaatsvinden. Er wordt een afspraak in Enschede gemaakt, maar deze gaat niet door, waarschijnlijk zonder deze af te zeggen. Directeur Rühl is ziek. Hij verklaart later: ”We maken in Enschede thans een enigszins mal figuur”. Ook brengt het College voor de Brandweer, of een deel daarvan, een bezoek aan Haaksbergen. Daar heeft men een motorbrandspuit van de fabriek van den Ploeg gezien. Deze firma stuurt naar aanleiding van het bezoek namelijk een album. Een van de leden van het college van Brandweer geeft aan, toch voorkeur te geven aan de motorbrandspuit die gezien is in Almelo, die mooier werkte dan die in Haaksbergen.

In september 1918 vertrekt de opperbrandmeester G.C.M. Brouwer . Hij wordt vervangen door A. F. Morselt, tot dan brandmeester spuit A. In zijn plaats wordt benoemt de heer B.J. Höfte , tot dan brandspuitmeester spuit C en op zijn plaats komt de heer J. Groothengel.

In juni 1920 wordt besloten bij een oefening alleen nog de spuiten A. en B. te gebruiken. Zijn de spuiten C., D. en E. niet meer operationeel? Het personeel van deze spuiten wordt overgeheveld naar de spuiten A. en B. Is er zonder deze wijziging te weinig personeel voor de bediening van alle spuiten?

Advies aan het gemeentebestuur

Het duurt nog tot augustus 1920 voordat B. & W. advies van het College van de Brandweer vraagt inzake de aanschaffing van een goed model motorbrandspuit. De brandweer verdiept zich in de mogelijkheden. Niet alleen is de kwaliteit en capaciteit van de motorbrandspuit is van belang. Ook de watervoorziening is van belang. Meer concreet “Hoeveel water kunnen de bestaande brandputten per tijdseenheid leveren?” Het college voor de Brandweer bespreekt en vergelijkt in de volgende bijeenkomst uitvoering de verschillende binnen gekomen offertes. De voorzitter wordt gevolmachtigd om die motorbrandspuit, die hij voor de gemeente het meest geschikt acht, aan B. & W. voor te stellen. Zo nodig mag hij, op basis van de besprekingen die hij met de diverse leveranciers van brandblusmiddelen, tijdens de brandweertentoonstelling in Arnhem, heeft gevoerd, bij dit advies toelichten.
Ook geeft het College voor de Brandweer naar B.& W. aan dat ze de verantwoording niet langer kan dragen, wanneer na een brand de verschuldigde beloning niet aan het personeel wordt uitbetaald. Het gevolg hiervan is namelijk dat er geen voldoende personeel aanwezig is om de pompen te bedienen. De enige oplossing voor dit probleem is de aanschaffing van een motorbrandspuit. Wanneer dit niet gebeurd meent het college voor de Brandweer in zijn geheel te moeten aftreden.

Wel zijn er weer de nodige personeelswisselingen, te weten: de voorzitter, H. H. Rühl, treedt in maart 1921 af. Er worden meerdere personen, zoals de heren Jac. Nieuwenhuis (directeur Twentsche Metaal en IJzergieterij), G. Koster, functie onbekend, en gemeenteopzichter Witteveen als mogelijk opvolger benoemd. Deze weigeren op de voordracht te worden gezet, dan wel kan men het over een kandidaat niet eens worden. De heer A.F. Morselt wordt, als opperbrandmeester, de tijdelijke voorzitter. Het college van B.&W. pakt door en benoemt
G. Koster op 24 juni 1921 tot directeur. Hij treedt echter spoedig weer af. Nu wordt de heer Jac. Nieuwenhuis wel voorgedragen en is hij bij de vergadering van 24 mei 1922 de nieuwe voorzitter. Er wordt uitvoerig en inhoudelijk, met de beschikbare offertes en ook op basis van ervaringen van een commissie, die een bezoek bracht aan producenten van brandspuiten te Weesp, Almelo en Amsterdam besloten aan B. & W. een advies uit te brengen.

Het advies luidt: een motorbrandspuit merk “Magirus”, die wordt aangeboden door de firma Geesink te Weesp á fl. 4.600 (Het is een pomp met een capaciteit van 800 l/min.) Extra aan te schaffen: 400m. slang á fl. 2,50 per meter, alsmede 20 koppelingen á fl. 12. Totale kosten fl. 5.840. Tevens wordt voorgesteld diverse Brandwaarborgmaatschappijen aan te schrijven over de aanschaffing en te trachten subsidie los te krijgen.

Beraadslagingen in de Gemeenteraad

Op de agenda van de gemeenteraad d.d. 22 mei 1922 staat het ingekomen advies van het college voor de Brandweer tot het aanschaffen van een motorbrandspuit met toebehoren, merk Magirus, van de fa. Geesink te Weesp. Ook is binnengekomen een schrijven van de Stoomspinnerijen en Weverijen S. J. Spanjaard, mededelende dat de gemeente Borne bij een eventuele brand gebruik kan maken van haar brandblusmiddelen, tegen nader overeen te komen voorwaarden. Uiteraard is er ook een brief van de fa. Geesink uit Weesp. De burgemeester zegt het advies van het college voor de Brandweer over te nemen. Raadsleden vinden het voorstel overdreven weelde voor Borne, dat er wordt gekozen voor de aanschaffing van een dure spuit. Zuinigheid wordt niet betracht. De verantwoordelijke Wethouder IJzereef licht het voorstel van B. & W. toe. Met het huidige materiaal wordt zo goed mogelijk gewerkt. Evenwel stelt het college voor de Brandweer zich niet hiervoor verantwoordelijk. B. & W. nemen ook geen verantwoordelijkheid. De wethouder zegt het College voor de Brandweer gevraagd te hebben of zij genoegen nemen met een goedkopere spuit. Er is toen geantwoord dat zij zich in hun taak zo goed mogelijk gekweten hebben en de voordeligste en meest economische spuit uitgezocht.

Raadslid Zandvoort vindt het aandringen van de brandweer wel wat verdacht. Weth. Ter Haar vindt het nog meer verdacht daar hij gehoord heeft dat “het college van de Brandweer” het er niet bij laat zitten als zij de gewenste spuit niet krijgt”. Een ander raadslid is het hiermee volkomen eens, want het College geeft de voorkeur aan één spuit. Weer een ander raadslid vindt dat dit de zaak buitengewoon verdacht maakt. Hij heeft het nog sterker gehoord, namelijk: ”Als wij de Magirusspuit niet krijgen dan laten wij er niet bij zitten. Raadslid Hendrikse ziet de noodzakelijkheid van de aanschaffing van een brandspuit niet in. De meeste fabrieken hebben hun eigen brandweermateriaal. Voorts heeft hij gehoord dat het college van brandweer voor rekening van de gemeente op stap is geweest. Hij had gaarne gezien dat een der leden van B.& W. was meegegaan om rapport uit te brengen. Weth. IJzereef zegt dat het College voor de Brandweer haar taak heeft uitgevoerd. De raadsleden Schabbink en Hulshof vragen zich af of door de beschikbaarstelling van een motorbrandspuit door de firma Spanjaard er niet anders kan worden besloten. Het voorstel wordt tot de volgende vergadering aangehouden. Er wordt besloten om de aanschaffing een jaar uit te stellen. Echter Weth. IJzereef denkt er niet over om op te schorten. Hij wil het advies van het college van brandweer vernemen inzake het aanbod van Spanjaard. Hij wil e.e.a. tot de volgende vergadering moet worden aangehouden. Aldus wordt besloten.

Overleg Wethouder met College voor de Brandweer

Weth. IJzereef bezoekt vervolgens het college voor de Brandweer. Hij geeft aan de moed nog niet heeft verloren te hebben. Hij denkt dat wanneer wordt besloten een pomp met minder capaciteit te kopen, de gemeenteraad wel zal bijdraaien. De voorzitter, Jac. Nieuwenhuis, licht de kwaliteit en de capaciteit van de voorgestelde pomp toe. Dit kan de wethouder in de komende raadsvergadering gebruiken en daarmee aantonen dat de geadviseerde spuit de meest doelmatige is. Zelf heeft hij al het besluit genomen te bedanken als directeur. Hij ziet het afstemmen van de motorspuit als een motie van wantrouwen. Zo denkt hij ook over de uitingen van een wethouder en enkele raadsleden, die op minder oorbare handelingen duiden. Weth. IJzereef geeft hem en de leden van het college beleefd in overweging een eventueel bedanken voorlopig niet te doen en nog te wachten tot de volgende raadsvergadering, waarin over het aanschaffen van de spuit zal worden beslist. Enkele leden zijn hiervoor te vinden, aangezien zij het toch al te gek zouden vinden om de brandweer zonder leidende personen te laten. Ook de voorzitter kan zich hierbij aansluiten en er wordt besloten een afwachtende houding aan te nemen. Hij wenst de wethouder succes bij de komende Raadsvergadering.

Afb. 04: Voorbeeld van een motorspuit

Voorstel B.&W. tot aanschaffing motorbrandspuit

Tijdens de raadsvergadering van 12 juni 1922 komt een voorstel van B.& W. tot aanschaffing van een motorbrandspuit weer aan de orde. Ze neemt het advies van het College voor de brandweer over tot het kopen de motorbrandspuit „Magirus” ad f 4600 mét materiaal, totaal fl. 5840. Enkele brandwaarborgmaatschappijen verklaarden zich bereid in de kosten bij te dragen. De spuit heeft een capaciteit van 800l/min. Weth. IJzereef zegt met het College voor de brandweer te hebben overlegd. Echter, dit neemt, geen genoegen met een Magirus Spuit van 500 liter, omdat die niet aan het doel beantwoord.. Wij hebben een georganiseerde brandweer die met beperkte middelen doet wat ze kan. Wij hebben van de brandweer de schriftelijke verklaring dat zij de verantwoordelijkheid niet meer wenst te dragen ten aanzien van deze materie. Het zelfde geldt voor B.& W..

Raadsleden vragen of de putten wel water genoeg hebben. Wethouder IJzereef: zegt dat dit bij de put op het Bornse veld is gemeten. Deze bevatte toen voldoende water om gedurende 1 uur 800 liter water per minuut uit te pompen. Wethouder ter Haar zegt dat “Waar gemeenten, veel groter dan Borne, het kunnen doen met een spuit, die 500 liter per minuut verwerkt, hij niet inziet niet waarom wij er een van 800/l. min. moeten hebben”. Een raadslid denkt dat er nog meer kosten bij zullen komen. Er is toch ook nog een betrekkelijk nieuwe handbrandspuit? Er wordt gedacht dat wanneer er binnen afzienbare tijd een watertoren is, er geen motorbrandspuit meer nodig is. Wethouder IJzereef denkt dat dit zou kunnen, tenminste als er voldoende druk is. Dit laatste laat echter wel een te wensen over. Wethouder IJzereef zegt dat het oefenen van de brandweer ieder halfjaar fl. 60 a fl. 70 kost. Bij een motorspuit zijn hoogstens 10 mensen nodig en kunnen we de rest van het personeel, die hier uit 65 mensen bestaat, geheel afdanken. De rente van de nieuwe spuit kan dus betaald door de vermindering van de kosten voor de halfjaarlijkse oefening. Er wordt voorgesteld het voorstel van B.& W. aan te houden en eerst nog nader onderzoek in te stellen. Dit voorstel wordt met 1 stem tegen (van weth. IJzereef) aangenomen.

Aftreden College voor de Brandweer

Op 7 juli 1922 vergadert het College voor de Brandweer opnieuw. De waarnemend voorzitter is de heer A. F. Morselt. Besproken wordt het bij B.& W. binnengekomen schrijven van de Stoomspinnerijen en weverijen voorheen S. J. Spanjaard Borne, inzake het verlenen van hulp bij een eventuele brand, met verzoek van B.& W. advies te dienen. Het college antwoordt, dat het na breedvoerige bespreking, tot het besluit is gekomen op dit ogenblik niet competent te zijn het gewenste advies te geven. Tevens vindt het College dat nu aan haar adviezen geen gevolg wordt gegeven, men geen vertrouwen heeft. Zolang de woorden geuit in de raad niet zijn terug gesproken of herroepen voelt men weinig meer voor de opgedragen functie. Na langdurige bespreking, waarbij de gehele affaire nog eens naar voren wordt gebracht komt men, de een na den ander, tot het besluit zijn ontslag als brandmeester in te dienen en komen overeen dit “en block” te doen en dit ontslag als volgt te omschrijven.

Brief 8 juli 1922

Geven met verschuldigde eerbied te kennen A.F. Morselt, J. B. Höfte, J.B. Hofste, E. J. Groothengel, H. Braakhuis en E. Morsink, allen brandmeesters, deel uitmakend van het college voor de Brandweer te Borne dat in een daartoe op gisteren avond belegde vergadering is besproken welke houding aangenomen dient te worden, naar aanleiding van de debatten welke in de Raad onze gemeente hebben plaatsgevonden inzake de aanschaffing van een motorbrandspuit en het daarbij door het Coll. Van B. gegeven advies, dat zij na breedvoerige bespreking tot in onderdelen daarvan tot het besluit zijn gekomen uw geacht college mede te delen:

Afb. 05: Brandweer in vroeger tijden, aangetreden op de Bleek, Jaartal onbekend

a. Dat zij zich ten zeerste gekrenkt gevoelen over de aantijgingen welke van de zijde van enige raadsleden zijn geuit, in ’t bijzonder tegenover de drie commissieleden die op aandrang van het college van B. en W. gekozen waren om de diverse geoffreerde brandspuiten ter plaatse te gaan bezichtigen, resp. In werking te zien.

b. Dat zij zich geheel belangeloos van de zaak hebben geïnteresseerd en derhalve de uitlating, alsof zij op de een of andere wijze een provisie over de aanschaffing zouden ontvangen en dat de betreffende reizen als een uitstapje moesten worden aangerekend, niet zonder meer naast zich kunnen neerleggen.

c. Dat de commissie als zodanig , voor zover bekend, niet door B. en W. zijn gerehabiliteerd, doch thans aan de politieke opinie zijn overgeleverd.

d. Dat zij er van overtuigd zijn steeds de belangen van de gemeenschap te hebben gediend, dikwijls met opoffering van tijd en geld.

e. Dat zij er nog steeds van overtuigd zijn dat bij een hevige brand het materieel van de gemeente niet voldoende is en dat met een zeker deel van het personeel niet meer samengewerkt kan worden zoals reeds herhaaldelijk in diverse rapporten naar voren is gebracht.

f. Dat ook zij in verband met punt e. niet de verantwoordelijkheid meer willen dragen, zulks in navolging van de directeur, den heer Jac. Nieuwenhuis, die reeds inmiddels om boven omschreven redenen zijn ontslag bij uw college heeft ingediend. Derhalve zij uw geacht college beleefdelijk verzoeken ook hen van den afgelegde eed te ontheffen en hen tegen 1 augustus 1922 eervol ontslag te willen verlenen.

Het verslag van de vergadering van 7 juni en de opgestelde brief worden op 17 juli 1922 vastgesteld. Hiermee eindigt het logboek van het College voor de Brandweer na ruim 46 jaar.

Weth. IJzereef gaat weer naar het College van Brandweer Op 14 augustus doet hij in de gemeenteraad verslag van dit overleg. Het college heeft ontslag aangevraagd naar aanleiding van het gesprokene in de raad en het aanschaffen van een motorspuit, die het college hoogst noodzakelijk acht. Zij wilden echter nog wel aanblijven indien, de raad, hun in hun eer herstelt.
B.& W. zijn nog steeds van mening dat er een motorspuit moet worden aangeschaft. Het kleine schoorsteenbrandje van zondag j.l. heeft de gemeente alleen al fl. 62,40 gekost. Wethouder IJzereef zegt, dat het College opgedragen was de meest economische spuit uit te zoeken. Aan die opdracht heeft het voldaan en daar moet hier niet op gekritiseerd worden. De heer van Leeuwen oordeelt dat de heren volkomen in hun eer hersteld moeten worden. Wethouder ter Haar zegt dat er uitdrukkingen zijn gebruikt, die niet die bedoeling hadden, die eruit opgemaakt is. Dat gegeven advies is niet zoo als het behoorde te zijn; hierin werd slechts een spuit aanbevolen, terwijl er vele aanbiedingen waren. De heer Schabbink zegt dat het geen motie van wantrouwen was. Dat was hier niet aan de orde. Hij zou willen zeggen, dat er niet één van de leden is, die geen vertrouwen meer heeft in het college voor de Brandweer. Of het werk niet meer op prijs stelt. Waar het echter om draait is dit, dat B.&W. toen niet hebben gereageerd tegen de uitdrukkingen die in de Raad zijn gebezigd. Na nog enige discussie wordt tenslotte de volgende motie aangenomen: “De raad der gemeente Borne, kennis genomen hebbende van de mededeling van Wethouder Ter Haar, het dreigement geuit, volgens wethouder Ter Haar, niet de bedoeling is geweest naar het college van de brandweer. En spreekt zijn vertrouwen uit in dat college.”

Wethouder IJzereef zegt dat uit het gesprokene niet blijkt of er nu een brandspuit zal komen, ja dan neen. Een raadslid, zegt dat dit zo maar niet klaar te spelen is, waarna nog voorgesteld wordt een commissie te benoemen om den raad hierin te adviseren. De raad spreekt de wens uit dat B.& W. er in slaagt weer een goed College voor de Brandweer op te bouwen.

Er komt toch een nieuwe brandspuit zoals het College voor de brandweer deze wenst.

Door het raadslid Schoemaker wordt in de raadsvergadering van 10 november 1922 gevraagd hoe het met de brandweer staat. Hij denkt dat het nu, nu het college van brandweer haar ontslag heeft ingediend, een motorspuit moet worden aangeschaft. Weth. IJzereef antwoordt dat er eerder door het gemeentebestuur een voorstel is gedaan maar dat dit op niets is uitgelopen. Daarom wil hij nu niet nog eens met een voorstel komen. De heer Schabbink zegt dat naar aanleiding der reorganisatie der Brandweer nu juist deze post weer op de begroting te plaatsen. Zuinigheid kan hier wel eens bedriegen. Hij is het eens met de heer Schoemaker dat er moet worden overgaan tot aanschaffing een motorspuit. De heer IJzereef stelt vervolgens voor het vorig jaar uitgetrokken bedrag, groot fl. 4.000 met fl. 1.900 te verhogen. Hiertoe wordt met algemene stemmen besloten.

Conclusie

Hiermee komt feitelijk een eind aan het conflict tussen het College van Brandweer en het gemeentebestuur, met name de gemeenteraad. Blijft de vraag hoe dit “conflict” in zo’n korte tijd kon oplopen.

Noch uit de raadsstukken nog uit de verslagen van het College voor de Brandweer is mij dit duidelijk geworden. Wel is mij gebleken dat het gemeentebestuur erg krap bij kas zat. Men dacht, om te besparen, met een eenvoudige motorbrandspuit, een spuit met mindere capaciteit, te kunnen volstaan. De vraag blijft: Zag de gemeenteraad überhaupt de noodzaak van een motorbrandspuit niet in? Was het een prestigestrijd? Hoe ontstond bij een deel van de gemeenteraad de gedachte dat er door een of enkele leden van het College voor de Brandweer niet correct werd gehandeld? Dit laatste antwoord heb ik, gezien het jarenlange proces van onderzoek door het College van de Brandweer naar de meest geschikte en economisch meest verantwoorde motorbrandspuit, zeker niet gekregen.

Opvallend is vooral de snelle en plotselinge wijze waarop de gemeenteraad van mening verandert.
Binnen enkele maanden kan er wel een motorbrandspuit worden aangeschaft.

Overigens: De burgemeester van Borne verdiende in de jaren 20 ongeveer fl. 6.000. Evenveel als de gewenste brandspuit zou kosten. Wanneer deze bedragen worden omgezet naar de huidige tijd dan gaat het om een investering van € 120.000 en het conflict dus over € 40.000 Feitelijk een klein bedrag.

Een brandweer zonder leiding (college voor de brandweer)

Het is de taak van B.& W. om het resterende deel van het College voor de Brandweer weer met 5 brandmeesters, een opperbrandmeester en een nieuwe directeur aan te vullen. Als eerder aangegeven is hierover in het “logboek” geen informatie te vinden. Het “logboek” is op 17 juni 1922 gesloten. Dit zal een moeizaam zoekproces geweest zijn. Immers “alle” technische mannen, mannen die verstand hebben van woningen en gebouwen (aannemers en een smid) zijn opgestapt. Of dit gelukt is, is niet duidelijk. Waarschijnlijk is het wel met een aantal oud brandmeesters gelukt. Zo neemt J.B. Hofsté in 192, na 35 jaar, afscheid als brandmeester. A.F. Morselt is in 1929 nog (opper) brandmeester. Hij zal later nog commandant worden. Mogelijk zijn er nog meer personen als brandmeester benoemd.

Met een brandweer zonder of zonder onvoldoende leiding is het moeilijk een te brand blussen, zo blijkt uit het volgende bericht:

Op 13 december 1922 ontstond er gisteren middag brand in het dubbele woonhuis gelegen aan den Ennekerdijk te Borne en bewoond door een drietal families en wel Kruidbos, Kiewik en Lamers. Het huis werd bijna geheel een prooi der vlammen, terwijl de inboedels ook voor een groot deel verloren gingen. De brandspuit van de fabriek der firma Spanjaard verleende hulp terwijl de spuiten der gemeente Borne niet aanwezig waren daar de deuren van het gebouw waarin de brandweerartikelen zijn opgeborgen, niet zo spoedig geopend konden worden, daar de sleutels niet te vinden waren, zodat de brandweer niets kon uitrichten en de spuit van bovenstaande fabriek alleen het werk moest verrichten.

Op 13 januari 1923 melden meerdere kranten: Maakten we voor enigen tijd geleden er melding van, dat het College der Brandweer ontslag had aangevraagd en de Directeur der Brandweer ontslag had genomen: thans kunnen we melden dat tot op heden hierin nog geen verandering is gekomen, terwijl het B. en W. ook nog niet is gelukt een geschikt persoon te vinden die als Directeur kan optreden. Het is dus te hopen, dat er maar geen brand uitbreekt.

Het duurt waarschijnlijk nog een jaar voordat de motorbrandspuit wordt geleverd. De motorbrandspuit moet mede worden betaald uit de begroting van 1923 en er is natuurlijk een leveringstermijn. Gelukkig breken er in 1923 geen zware branden uit. De motorbrandspuit komt pas op 19 januari 1924 in actie zo blijkt uit het volgende bericht:

Bornse Courant van 19 januari 1924: In de nacht van zaterdag op zondag werden wij omstreeks half vier gewekt door druk geloop en gepraat, terwijl al spoedig door het aanzetten van den motor van onze brandspuit bleek dat iets bijzonders gaande was. Toen we buiten kwamen bracht men de motorspuit uit de garage en kostte het moeite hem op den gladden weg in beweging te krijgen en daarbij was het tamelijk donker (zou de verlichting in ons dorp niet zo ingericht kunnen worden, dat ook des nachts op enkele plaatsen, vooral bij hoeken van straten het licht blijft branden) Bij informatie, werd ons gezegd dat er brand was in een huis bewoond door S. en P. bij de kerk en van weinig betekenis.
Nu dat bleek later wel anders. Het gehele woonhuis brandde uit en de spuit moest zich bepalen tot het nat houden der belendende percelen. Nu de brandspuit voor het eerst branddienst deed, bleek dat aan de bediening nog al een en ander haperde en wij vertrouwen dat de betrokken autoriteiten daarin zullen voorzien. De brand schijnt zijn oorzaak te hebben gehad in het niet goed blussen van een brandje in een schoorsteen van het huis. De schade wordt gedeeltelijk door de verzekering gedekt.

Maar, na enig oefenen en met de ervaring uit eerdere branden, gaat het snel beter zo blijkt:

De Volkskrant 26 mei 1924 Zware brand. Borne wordt ’s morgens om half vijf gewekt door de stoomfluit van de firma Spanjaard. In een der magazijnen waarin materialen en machines waren geborgen was brand uitgebroken. Het blussingswerk werd met kracht aangepakt met behulp der fabrieksbrandspuiten, geassisteerd door de Gemeentelijke Brandweer. De nieuwe elektrische brandspuit der gemeente werkte bij deze gelegenheid prachtig, haar capaciteit is schitterend, naar wij vernemen.

Woensdagmiddag 12 september 1924 Twentse courant. Om circa half twee ontstond door onbekende oorzaak brand in een blok van vier woningen van de Bornse Bouwvereniging, gelegen over ’t spoor. In betrekkelijk korte tijd brandden twee woningen geheel uit, terwijl door het kordaat optreden de brandweer de beide andere, behoudens veel opgelopen waterschade, gespaard bleven Van de bewoners der beide afgebrande percelen, werd de inboedel van zekere H. wiens goed niets verzekerd was, vrijwel geheel gered, terwijl de inventaris van diens buurman, welke tegen brandschade was verzekerd, met uitzondering van enkele meubelen een prooi der vlammen werd. Ook van den inboedel van zekere de V. een bovenhuisbewoner, werd weinig gered. De brandweer, die niet spoedig ter plaatse was, werkte met drie slagen en mocht er in slagen, zo als boven gezegd, de beide overige woningen te behouden. De nieuwe elektrische brandspuit werkte prachtig.

Het is mij niet duidelijk waarom over elektrische brandspuit wordt gesproken. Ik denk dat dit een gebrek aan kennis van de journalist is.

Gewijzigde opstelling gemeenteraad

Verrassend is de wijziging van de opstelling van de gemeenteraad t.o.v. de brandweer. In 1922 wenste deze voor de brandweer zo weinig mogelijk geld uit te trekken. Eind 1923 moedigt zij de brandweer aan zo veel mogelijk te moderniseren, zo blijkt uit het volgende:

Raadsvergadering 21 dec. 1923. De heer Zandvoort vraagt bij de onderhoudskosten van de brandspuit of nu alles hiermede in orde is en of de alarminrichting zal gemaakt worden. Weth. IJzereef zegt dat de reorganisatie van de brandweer nog niet geheel doorgevoerd is; voor de alarminrichtingen is een kostenberekening onderhanden. Raadslid Zandvoort zegt in de geest van alle raadleden te spreken als hij op gehele modernisering aandringt alsmede op het inrichten van de alarmtoestellen.

Op voorstel van Wet. IJzereef wordt B.& W. machtiging verleend de nodige stappen daartoe te nemen.

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2024-03)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)