Auteur: Frans Claas

In het eerste deel hebt u de ontwikkeling van de religie in het algemeen kunnen lezen. In dit deel wordt specifiek verteld over de ontwikkeling van het Christendom in onze streken.
De aanloop naar de Kerstening(24) van Twente

Verschillende ontwikkelingen hebben na de val van het West-Romeinse Rijk geleid tot de uiteindelijke kerstening van Twente. Eén ervan, de Grote Volksverhuizing, beschreven we al hierboven. Een andere belangrijke ontwikkeling was de Frankische invloed(25) in ons land in de 6e en 7e eeuw via Austrasië, dat letterlijk ‘oostelijk land’ betekent. Het omvatte een belangrijk deel van het Merovingische koninkrijk en besloeg het oosten van het huidige Frankrijk, het westen van Duitsland, België ten oosten van de Schelde en delen van Nederland. Reeds vanaf ongeveer het jaar 600 heersten de Austrasische koningen over Utrecht en Dorestad. De belangrijkste plaats in Austrasië was Keulen, waar ene Kunibert bisschop was. Koning Dagobert I(26) liet in 630 het eerste kerkje in Utrecht bouwen nadat hij bevolen had, dat alle inwoners van zijn rijk christenen moesten worden. Deze eerste kerk werd, samen met het Castellum Traiectum (het oude Romeinse fort, waarvan de restanten onder de huidige Dom liggen) geschonken aan Kunibert, de bisschop van Keulen, met de daaraan verbonden opdracht om de heidense Friezen te bekeren. (Let wel! De ‘Friezen’ was in die tijd de verzamelnaam voor alle stammen, zoals Angelen, Saksen, Bataven e.d. die woonden in de strook tussen het Zwin bij Knokke in Vlaanderen en de Wezer in Duitsland. Dorestad, nu Wijk bij Duurstede, was toen de belangrijkste plaats. Willibrord, waarover later meer, werd b.v. benoemd tot ‘Aartsbisschop der Friezen’ en daar viel ook Twente onder.(27).De oudste kerstenings-initiatieven kwamen dus uit Keulen, waar vandaan de Frankische missionarissen feitelijk in opdracht van de Merovingische koningen werden uitgezonden. Overigens hadden deze pogingen niet zoveel succes.
Kunibert was van 627-663 bisschop van Keulen, waaronder toentertijd ook Twente viel. Utrecht was toen nog geen bisdom. Kunibert was naast bisschop ook de persoonlijk adviseur der Merovingische koningen. Na zijn dood is hij heilig verklaard; in Keulen is één van de Romaanse kerken aldaar vernoemd naar Sint Kunibert.
De Angelsaksische invloed
Min of meer parallel aan de Frankische invloed op de komende kerstening liep een andere belangrijke ontwikkelingslijn via de Angelsaksen.
Egbert van Rathmelsigi(28) (639-729), ook wel Egbert van Northumbria genoemd, vanwege zijn Angelsaksische afkomst, werd op een pelgrimstocht naar Ierland ernstig ziek. Hij deed toen de belofte
om nooit meer naar zijn geboortegrond (Northumbria) terug te keren en veel te vasten als hij zou overleven. Zo geschiedde …..
Hij werd abt van het klooster van Rathmelsigi, dat onder zijn leiding uitgroeide tot een kweekschool van talloze missionarissen, onder wie Wigbert, Willibrord en Adelbertus. Hij was de leermeester van talloze missionarissen en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de kerstening der Friezen.
Hoewel het klooster Rathmelsigi in Ierland lag, moeten we ons realiseren, dat zowel abt Egbert als veel van zijn leerlingen afkomstig waren uit Northumbrië in Engeland, de streek waar veel Germaanse stammen waren neergestreken. Zowel cultureel als qua taal hadden zij dus dezelfde achtergrond als de ‘Friezen’, die zij wilden bekeren. Dat verklaart voor een belangrijk deel waarom de Angelsaksische missionarissen bij hun kerstening van de Friezen succesvoller waren, dan hun Frankische voorgangers.
Willibrord en Kerstening
Hoewel er vele missionarissen vanuit zowel Ierland als het Angelsaksische Engeland actief zijn geweest bij de bekering der Friezen (en dus ook in Twente), belichten we eerst Willibrord, gezien zijn bijzondere betekenis voor ons gebied.
Willibrord werd in 657/58 geboren in Northumbrië en op 7-jarige leeftijd brachten zijn ouders hem naar het klooster in Ripon, een Angelsaksisch klooster van Wilfried van York. Omdat Willibrord zich aangetrokken voelde tot het Ierse ascetisme en de Ierse geleerdheid, vertrok hij naar Rathmelsigi, het klooster van abt Egbert.
De Frankische hofmeijer(29) Pepijn van Herstal boekte in 689 een belangrijke overwinning op de Friese koning Radboud, waardoor een groot deel van Frisia onder zijn beheer kwam. Omdat Radboud zich altijd had verzet tegen de kerstening, was daarmee de tijd voor missionering van Frisia gunstig.

In 690 vertrok Willibrord, samen met een aantal gezellen (meestal gaat men uit van elf of twaalf, waaronder de ons van belang zijnde Plechelmus, Werenfridus en Suidbert), naar het land der Friezen. Zij landden bij de monding van de Rijn, dichtbij het huidige Katwijk aan Zee(30). Van daaruit bezocht Willibrord een groot gebied, dat zich uitstrekt van de Lauwerszee tot in België en Luxemburg.
Willibrord viel tussen alle missionarissen vooral op door zijn organisatietalent; zo verzekerde hij zich b.v. eerst van de volmacht en bescherming van de plaatselijke machthebbers en van pauselijke goedkeuring (waarvoor hij tweemaal naar Rome reisde), alvorens met zijn missionering te beginnen. Dat leidde ertoe, dat hij in 695 tot aartsbisschop der Friezen werd gewijd door Paus Sergius. Zijn standplaats werd Utrecht(31) (toen nog Traiectum geheten) en sindsdien is Utrecht het centrum van de bisschoppelijke hiërarchie gebleven.
Door de steun van Pepijn van Herstal kreeg Willibrord van de Frankische adel een groot aantal landgoederen. Eén van de eerste schenkingen ontving hij van Irmina van Oeren, een abdis nabij Trier en de moeder van Plectrudis, de vrouw van Pepijn. Door de schenkingen was Willibrord in staat om de Abdij van Echternach(32) te stichten. Vanuit deze abdij bereidde hij zijn missietochten voor. Bovendien stichtte en bouwde hij veel kerken en kloosters. Door al die schenkingen (ook in het gebied, dat wij nu Nederland noemen) was hij veel tijd kwijt aan het beheer en bestuur ervan en de bouw van kerken en kapellen. Het moge dan ook duidelijk zijn, dat veel missiewerk weliswaar toegeschreven wordt aan Willibrord, maar dat veel van de daadwerkelijke uitvoering ervan werd gedaan door missionarissen, die opereerden uit naam van Willibrord.
Aanvankelijk was Willibrord nog relatief vaak in Utrecht, waar vandaan de missionarissen de Friese gebieden (waaronder dus Twente) ingingen. En niet zonder succes, want rond 750 zijn veel mensen in de kuststreek tot het christendom bekeerd. In de rest van het Friese gebied stuitten de missionarissen echter op verzet.
Overigens waren de grenzen tussen het Frankische en Friese gebied voortdurend onderhevig aan wisselingen; zowel Friezen als Franken bleven met wisselend succes proberen om gebieden van elkaar te veroveren. Kerken en andere religieuze plaatsen werden vernield en als het tij weer keerde, weer opgebouwd. De kerstening is dan ook een eeuwenlang gebeuren geweest.
In 719 ontving Willibrord bezoek van een andere bekende missionaris, namelijk Bonifatius(33). Bonifatius was, meer dan Willibrord, een missionaris, die er daadwerkelijk zelf op uittrok. Zoals we weten is hij in 754 door de Friezen bij Dokkum vermoord.
Allengs was Willibrord steeds meer in Echternach te vinden, waar hij op 7 november 739 is overleden. Zijn enorme bezittingen liet hij na aan de Abdij van Echternach.
Doopbelofte
Elke bekeerling moest een doopbelofte uitspreken. Er is zo’n doopbelofte uit de tijd van Willibrord bewaard gebleven(34). Het is in het Nederlands van die tijd, dus in taal van zo’n 1400 jaar geleden.
Ec forsacho diabolae, end allum diobolgeldae, end ec forsacho allum dioboles wercum and wordum, Thunaer ende Woden ende Saxnote ende allum them unholdum the hira genotas, sint. Ec gelobo in Got alamehtigan fadaer. Ec gelobo in Crist gotes suno. Ec gelobo in Halogan Gast.
Ik zweer de duivel af, en alle duivelsoffers, en ik verzaak alle werken en woorden van de duivel, Donar, Wodan, Saxnot(35) en de afgoden die hun gezellen zijn. Ik geloof in God de almachtige Vader, in Christus Gods Zoon en in de Heilige Geest.
Twenthe en omstreken
Het wordt tijd om op Twenthe in te zoomen. Om de situatie van Twenthe in de 8ste eeuw te begrijpen, is het onvermijdelijk om weer even terug in de tijd te gaan…. .
De Germaanse stam Tubantes komt reeds voor in bronnen uit de Klassieke Oudheid van de 1e t/m de 5de eeuw(36). De Tubantes woonden in een gebied, dat ongeveer begon bij het huidige Salland en via Twenthe en Noord-Twenthe (het huidige Duitse gebied bij Uelsen en Emlichheim) naar ongeveer waar nu het Duitse Lingen ligt.
Tegelijkertijd moet beseft worden, dat stammen niet alleen op zichzelf leefden, maar er ook uitwisseling was met andere buurstammen en volkeren, zoals de Saksen, de Romeinen en de Friezen. Soms streden ze tegen elkaar, maar als het zo uitkwam sloten ze ook bondgenootschappen en handelden ze met elkaar. Het gebied waar de Tubanten woonden, was dan ook niet statisch. Wat met een redelijke zekerheid gezegd kan worden is dat Twenthe met het middeleeuwse Noord-Twenthe (het huidige Duitse deel dus) steeds tot het territorium van de Tubanten (Tuihanti) heeft behoord.
In de loop der eeuwen gaan steeds meer stammen op in grotere verbanden, zoals de Franken, Saksen en Friezen. Er zijn redenen om te veronderstellen, dat in de loop van de 7de eeuw delen van het oorspronkelijke gebied der Tubanten onder politieke invloed van de Saksen zijn gekomen. Steeds meer droeg Twenthe daarom de duidelijke cultuur-kenmerken van de Saksen.
In de 8ste eeuw werden de Saksische gebieden, waaronder Twenthe, veroverd door de Frankische koningen. De Franken zagen hun Rijk als de voortzetting van het Romeinse keizerrijk, ook op het gebied van het christelijke staatsgeloof. Maar om al die heidense volkeren te bekeren, moesten hun gebieden eerst veroverd worden. Dat ging uiteraard niet zonder slag of stoot. De verovering van het Saksische gebied (door Karel de Grote, die regeerde van 768-814) staat bekend als de Saksen-oorlogen (772-804). Karel de Grote streefde ernaar om in de veroverde gebieden de kerken met hun nederzettingen en hun administratieve traditie (boekhouding) als toezichthoudend instrument te gebruiken. Hij verleende, net als zijn voorgangers, de missionarissen (waaronder de Angelsaksische) dan ook alle medewerking, waardoor zij in de Frankische gebieden relatief veilig hun missioneringswerk konden uitoefenen(37). Anderzijds gingen ook menig missionaris en Karel zelf niet zachtzinnig te werk; naast het neerslaan van tegenstand met harde hand, werden ook heiligdommen en andere uitingen van het ‘heidense’ geloof zonder pardon vernield. Dat dit ook veel weerstand uitlokte, zal ons in de huidige tijd niet verbazen.
De leider der Saksen was de Westfaalse edelman Widukind. De omslag kwam in 785, toen Widukind zich liet dopen en de eed van trouw aan Karel de Grote, die als peetvader optrad, aflegde. De strijd in de huidige Nederlanden was daarmee afgelopen; de strijd in het huidige Duitsland ging nog voort tot in 804 toen de Vrede van Selz (bij Straatsburg) gesloten werd.
Twenthe was vanaf 785 dus Frankisch gebied. Nu de Saksische leider Widukind zich had laten dopen en het eerste schaap dus over de dam was, volgden er velen. Massaal werd het Doopsel ontvangen; Germaanse heiligdommen werden omgebouwd tot christelijke kapellen en kerken. Bovendien kon de Saksische adel zich door het nieuwe Frankische leenrecht gaan gedragen als feodale(38) klasse.
Vanaf de Vrede van Selz was de rust in het Saksische gebied teruggekeerd en kreeg de kerstening haar beslag.
Een bekende missionaris uit die tijd is Ludgerus(39) (ook bekend als Liudger), die in Wichmond (bij Zutphen) een houten kerkje stichtte; de St. Salvatorkerk. In die tijd schonken rijke mensen, die zich tot het christendom bekeerd hadden de missionarissen dikwijls onroerende goederen. Zo kreeg Ludgerus in 797, toen hij in West Saksen verbleef, van een zekere Oodhelm, voor het stichten van het kerkje te Wichmond twee hoeven in eigendom. Dat waren de ‘villae(40) Hulere en Manheri’. Manheri is het huidige Mander (ten noorden van Vasse) en Hulere was de toenmalige naam voor de marke Dulder (bij Saasveld).

Twee jaar later stichtte Ludgerus de abdij Werden, dichtbij de Duitse stad Essen. Het zou een wijd en zijd bekend en invloedrijk klooster worden, dat zelfs invloed had in Twenthe. Er zijn registers van die abdij bewaard gebleven, die stammen uit de 9de eeuw. Daaruit blijkt, dat de abdij bijvoorbeeld inkomsten ontving vanuit 40 Twentse erven, waaronder de beide bovengenoemden! Ook komen de marke-namen Uuluth (Volthe), Rothem (Rossum), Lamesloe (Lemselo), Hasloe (Hasselo) en Thrinon (Driene, later Klein Driene) er in voor.
In de eerste jaren van de 9de eeuw trok hij, na weer een kersteningsbezoek aan onze contreien (vooral de huidige Achterhoek), door naar Billerbeck en vervolgens naar zijn nieuw op te richten missiepost Mimigemaford. Deze naam doopte hij om tot Monasterium (klooster), dat in de loop der tijd verbasterd is tot Münster. In 805 werd hij door de Aartsbisschop van Keulen gewijd tot de eerste bisschop van Münster. Het oostelijk deel van de Achterhoek viel onder dit bisdom.
Een bekende missonaris in Twenthe is natuurlijk Plechelmus. Gezegd wordt, dat hij één van de gezellen van Willibrord was bij zijn oversteek naar Frisia. Er is nooit hard bewijs voor gevonden; wel is gebleken, dat hij inderdaad een zogeheten Scottus was, een monnik uit Scotia (Ierland; het klooster van Rathmelsigi!) en van Angelsaksische afkomst(41). Hij maakte eerst een reis naar Rome en werd daar tot bisschop gewijd. Hij moest vooral in de grensgebieden van het Frankische Rijk het evangelie verkondigen. Daarbij werd hij vergezeld door Wiro en Odgerus. In zijn missiegebied liet hij kerken bouwen, waaronder dus in Oldenzaal. Dat zal zeer waarschijnlijk een houten kerkje zijn geweest. Of Plechelmus zelf in Oldenzaal is geweest kan tot op heden niet met harde bewijzen aangetoond worden.
Wel is het zeker, dat Plechelmus en zijn beide gezellen in Odiliënberg (bij Roermond) het geloof hebben verkondigd. Plechelmus stierf in circa 734 en werd in Odiliënberg begraven.
In 954 bracht bisschop Balderik een gedeelte van de relikwieën van Plechelmus over naar de nieuwe stenen kerk in Oldenzaal, die naar Plechelmus vernoemd werd. Hij wordt daar nog steeds herdacht en geëerd.

Op weg naar een afronding
De geschiedenis van de missionering in zijn algemeenheid, maar dus ook voor Twenthe, was zoals inmiddels duidelijk moge zijn, beslist geen soepel lopend proces. Het ging met horten en stoten; naast de ver- en heroveringen, die er mee gemoeid waren, ging het ook gepaard met slachtingen, vernielingen, opbouw, terugval, bestuurlijke herinrichtingen en zo verder … . Bovendien moeten we ons natuurlijk niet al te veel voorstellen van de diepgang van het nieuwe geloof, zeker niet in de aanvangsfase; de kerstening in diepere zin heeft nog eeuwen geduurd. In dat proces werden oude heidense gebruiken aanvankelijk te vuur en te zwaard bestreden, maar op de langere termijn werden er in het christelijke geloof juist veel van de oude gebruiken overgenomen. Voorchristelijke cultusplaatsen veranderden in kerken of kapellen; verering van godinnen sloeg om in een Mariacultus; de goden uit het Germaanse pantheon maakten plaats voor Heiligen en hun naamdagen; wat je dus niet kunt verslaan, neem je over!(42)

Kroezeboom op de Fleringer Es, onze eigen Heilige boom. In ieder geval is de eik één van de oudste bomen in Nederland; geschat wordt, dat deze tussen de 400 en 500 jaar oud is. Het is een foto van Wikipedia, maar komt uit het archief van het Meertens Instituut. De foto is gemaakt op 27-09-1986 en zoals te zien werd deze bijzondere plek toen nog steeds gebruikt voor religieuze bijeenkomsten.
Ter afsluiting nog een paar korte beschrijvingen van missionarissen, die meekwamen met Willibrord in 690 en in onze streek ( ruim genomen … ) werkzaam waren en een zekere bekendheid hebben gekregen.

Ter afsluiting nog een paar korte beschrijvingen van missionarissen, die meekwamen met Willibrord in 690 en in onze streek ( ruim genomen … ) werkzaam waren en een zekere bekendheid hebben gekregen.
Suïtbertus (ook Switbert, Suibert, Suidbert genoemd) werd de Apostel der Saksen genoemd. Toen Willibrord naar Rome was vertrokken, werd Suïtbertus door zijn medemissionarissen uitgekozen om terug naar Engeland te gaan om tot bisschop gewijd te worden. Hij werd daar tot aartsbisschop van Canterbury gewijd. Kort erna vertrok hij weer naar het vasteland. Zijn missiegebied was vooral in het zuidelijke deel van Westfalen. Suïtbertus was de stichter en eerste abt van het klooster Kaiserswerth (bij het huidige Düsseldorf), alwaar hij in 713 overleden is. Later werd hij heilig verklaard.

Bonifatius is bij ons natuurlijk ook een bekende naam. Praktisch gezien was hij niet of nauwelijks in Twenthe werkzaam. Bonifatius was aanvankelijk vooral actief in Hessen en Nedersaksen. Zijn aanpak was nogal voortvarend, op het randje van ‘t betamelijke. Zo liet hij in 723 in Geismar (bij Fritzlar) de Heilige Donareik omhakken Toen er geen wraak volgde van de vereerde goden, namen veel Germanen het christelijk geloof aan! Het omhakken van de eik wordt door velen beschouwd als het begin van de kerstening onder de Noord- en Middelduitse Germanen.
Van het hout bouwde Bonifatius een kapel, gewijd aan St. Petrus; de kapel werd de kiemcel van het latere klooster Fritzlar. Later vestigde hij daar het eerste bisdom in de Germaanse landen ten noorden van de oude Romeinse limes. Tot 732 werkt Bonifatius in Hessen en Thüringen. In 732 benoemde Paus Gregorius III hem tot aartsbisschop. Tot 736 werkte hij vervolgens in Beieren en stichtte verschillende bisdommen. Bonifatius was een druk baasje, want vanuit Beieren trok hij weer naar het Frankische Rijk, aan beide zijden van de Rijn.
Bonifatius had nooit de hoop opgegeven om ook de Friezen te bekeren tot het christendom. Rond zijn 80ste levensjaar trok hij met een groot gevolg, militairen en bewakers naar Dokkum. Het was een imposante stoet. Hij doopte er inderdaad grote aantallen Friezen, maar er was ook weerstand. De afloop kennen we allemaal …. Op 5 juni 754 werd hij aldaar gedood.
Werenfridus, ook bekend als Werenfried van Elst. Zijn missiegebied was aanvankelijk West-Friesland. Hij had toen zijn standplaats in het huidige Wervershoof. (Er wordt gezegd, dat de naam Wervershoof afkomstig is van Werenfridus, als een verbastering van Werenfridus’ Hoeve.) Later trok hij via Dorestad naar de Betuwe en het gebied eromheen (zoals De Liemers). Blijkbaar werd zijn missioneringswerk erg gewaardeerd, want hij was en is nog steeds de patroonheilige van Elst. Hij stierf in op 14 augustus 760 in Westervoort en werd, conform zijn wens, begraven in Elst. Ook hij is later heilig verklaard.
Epiloog
Natuurlijk kan een artikel als dit nooit volledig zijn, maar moesten er keuzes gemaakt worden uit een enorme hoeveelheid informatie. Mijn doel met dit artikel was om te illustreren hoe allerlei ontwikkelingen en gebeurtenissen in de loop der historie uiteindelijk op een bijzondere manier samenkomen en hebben geleid tot een episode als de kerstening van Twenthe. Of dat gelukt is, bepaalt u als lezer.
Er dwars doorheen speelt het immer aanwezige fenomeen van ‘waarheid’. Waarheid is een vloeibaar begrip, zo heb ik inmiddels geleerd en zeker in de loop der tijd(43). Op zijn simpelst gezegd zijn verhalen, overleveringen en wat dies meer zij, gebaseerd op de in die tijd gangbare culturen, rituelen, opvattingen en wetenschap/kennis of juist het ontbreken ervan. Oude historie kun je dus feitelijk alleen maar begrijpen door de ogen van toen. Zekerheid over de feiten en de gang van zaken in vervlogen tijden bestaat dus niet. Op basis van je bronnen en eigen inzichten maak je de keuzes, waarin je het meeste geloof hebt. In wezen is geschiedschrijving dus ook een vorm van geloof. Dat is niet vreemd als je beseft, dat het hele leven gebaseerd is op geloven.
Verhalen en geschriften kun je dus niet verabsoluteren, want dan schiet je naast de roos en soms zelfs erg vaak ernaast. Dat maakt alles relatief en dus ook de waarheid. In dit geschrift gaat het mij ook niet om de waarheid, maar om de weg te begrijpen, die tot de kerstening geleid heeft.
Ter illustratie van wat ik probeer te zeggen, verwijs ik als voorbeeld naar de geschriften van Albert Delahaye(44), die als archivaris werkzaam is geweest en een enorme schat aan kennis had over geschiedkundige thema’s. Zijn kijk op veel historische informatie is echter diametraal anders, dan de algemeen geaccepteerde feiten of gebeurtenissen. Wellicht had hij gelijk, wellicht ook niet; de tijd is vergleden en daar moeten we het mee doen …
Bronnen
- Het monumentale boek ‘Oudheid van Twenthe’, geschreven door Dr. Gerard Seyger (Uitgeverij Twentse Welle). Het is een boek, dat bijzonder gedocumenteerd is en zoveel informatie over de Oudheid van Twenthe omvat, dat het een beetje ten koste van de leesbaarheid gaat.
- Diverse sites, zoals ‘Historiek’, ‘Canon van Nederland’ en uiteraard ‘Wikipedia’, een tegenwoordig vrijwel onmisbare bron voor informatie over welk onderwerp dan ook.
- Verder nog wat bijzondere sites, namelijk van de Unesco (Archeologisch gebied van Olympi), van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden (o.m. over godsdienst en gode)
- Smouternet (De Oude Gode ), IsGeschiedenis (geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht), Wikiwand (Austrasië)
- Historische Boeken (o.m. over de Ierse bekeringsdrang), Plusonline, Historianet en Yumeko (De Droomtijd van Aboriginals).
Noten
- Kerstening is het historische bekeren van niet-christelijke volkeren tot het christendom door aanhangers van het christelijk geloof en hun wereldlijke bondgenoten. Vaak gebeurde het massaal en ook door gebruik van geweld of het inzetten van zware straffen. In de vroege middeleeuwen richtte zich dat in Nederland vooral op de gebieden, die niet Romeins geweest waren. De voorheen Romeinse gebieden waren immers al gekerstend.
- Conform G. Seyger in ‘Oudheid van Twente’
- Een Merovingische koning, die regeerde van 623-634.
- Vergelijkbaar dus met b.v. de aanduiding ‘Hollander’. Formeel zijn dat de bewoners van Noord- en Zuidholland, zo’n beetje het westelijk deel van ons land. Allengs is deze aanduiding synoniem geworden voor ‘Nederlander’. Zeker vanuit het buitenland worden met het woord ‘Hollanders’ alle ingezetenen van ons land bedoeld.
- Ook wel Egbert de Ier genoemd
- Een hofmeijer is van origine het hoofd van de paleishuishouding van een vorst. Ten tijde van de Merovingische vorsten was hij ook de plaatsvervanger van de vorst en beheerde hij in diens naam het gebied van de vorst. Ten tijde van Pepijn van Herstal was het daadwerkelijke bestuur van het Frankische rijk in feite in handen van de hofmeijer.
- Is arbitrair, want er worden in verschillende bronnen andere plaatsen genoemd. Zo wordt in het boek ‘Oudheid van Twenthe’ Westkapelle genoemd als plaats, waar Willibrord aan land ging. Voor de essentie van ons verhaal maakt het niet uit, waar hij geland is; daarom houden we het maar bij Katwijk. Dat is overigens niet geheel onwaarschijnlijk, want bij de monding van de Rijn lag in de Romeinse tijd de nederzetting Lugdunum. Bij die nederzetting hebben de Romeinen een Limesfort gebouwd, Brittenburg geheten. In de loop der tijd is de Brittenburg (ondermeer door de stijging van de zeespiegel) in de golven verdwenen. Van de 16e tot medio 18e eeuw waren bij heel laag water de restanten nog te zien.
- Voor de goede orde: Hoewel Willibrord de eerste bisschop van Utrecht was, bestond er nog geen bisdom Utrecht, dat kwam pas later. Wel was hij aartsbisschop der Friezen, maar Frisia was, zoals we inmiddels weten, zo’n beetje het hele gebied vanaf het Zwin tot in Noord-Duitsland, dat nog niet gekerstend was, een zogeheten ‘heidens’ gebied dus, dat grensde aan het Frankische gebied. Wel had hij als standplaats Utrecht, waar dus het door koning Dagobert in 630 gebouwde kerkje stond.
- Het graf van Willibrord ligt in de crypte van de Abdij te Echternach.
- Bonifatius was ook afkomstig uit Engeland en Angelsaksisch. In 672 werd hij onder de naam Winfried in Exeter geboren. Hij ging op zijn 7de jaar naar het klooster en vertrok in 716 naar wat nu Nederland heet.
- Uit de ‘Canon van Nederland’
- Saxnot was de stamgod der Saksen; zijn naam kan uitgelegd worden als ‘vriend van het zwaard’ of als ‘kameraad der Saksen’.
- Uit ‘Oudheid van Twenthe’; informatie uit dat boek is gebruikt als basale onderlegger voor de Twentse historie in dit artikel.
- Karel de Grote verordende een speciale wet ( Capitulatio de partibus Saxoniae ) volgens welke elke verwonding van een missionaris of de minachting van de christelijke rijksorde – smaad richting een priester of een kerk, de bij de heidenen gebruikelijke crematie of het eten van vlees op vastendagen – met de doodstraf bestraft werd.
- Feodalisme ( van het Latijnse Feudum, hetgeen leen betekent ) is het gelaagde machts-, bestuurs- en samenlevingssysteem gebaseerd op een leenstelsel dat zich in grote delen van Europa ontwikkelde na de Val van het West-Romeinse Rijk ( plm. 500 ) tot in de nieuwe tijd ( circa 1.500 ).
- Geb. in 742 te Zuilen ( bij Utrecht ), overleden in 809 te Billerbeck ( Dld )
- Villae is het meervoud van villa(ticum), een uit het latijn stammend woord, waarmee een boerderij met bijgebouwen werd bedoeld.
- Eind 7e eeuw was er in Lyminge, in het Engelse Kent, een adellijke familie met de naam Pleghelm. Onderzoek maakt aannemelijk, dat de ons bekende Plechelmus daarvan afstamt. ( Zie ‘Oudheid van Twenthe’ onder 5.2.4 )
- Erg interessant om je verder in te verdiepen, maar dat valt buiten dit bestek. Voor geïnteresseerden verwijs ik naar b.v. het boek ‘Indiculus’ (=’lijstje’) van Luit van der Tuuk. De ondertiteling is ‘Heidense en bijgelovige rituelen uit de vroege middeleeuwen’. Ook het boek ‘Heidense Heiligdommen’ van Judith Schuyf, ondertiteling ‘zichtbare sporen van een verloren verleden’ is in dit kader aanbevelenswaardig.
- Albert Einstein stelde in zijn speciale relativiteitstheorie al, dat ruimte en tijd in feite één entiteit vormen, namelijk de ruimtetijd, die alle gebeurtenissen in het verleden, heden en toekomst in ons heelal bevat.
- Albert Delahaye ( 1915-1987 ) was een Nederlandse archivaris, die vooral bekend staat om zijn controversiële geschiedkundige theorieën. Hij is archiefmedewerker geweest in Nijmegen. In 1957 werd hij directeur van het archivariaat West-Brabant en later werd hij directeur van het Archivariaat Nassau Brabant.
Hij had afwijkende theorieën over b.v. de Romeinse Tijd en de vroege middeleeuwen. ( Zie Wikipedia Albert Delahaye ).
(–> naar PDF-versie van deze publicatie)
(–> naar Inhoudsopgave 2024-02)
(–> naar Boorn & Boerschop pagina)