Auteur: Frans Claas

Geloof in een almacht buiten onszelf is iets universeels en van alle tijden. De vormen waarin het beleden wordt zijn zo divers als de mensheid zelf. De bron waaruit ‘geloven’ voortkomt is ten diepste voor iedereen hetzelfde; de beleving van onze nietigheid in het universum en het zoeken naar verklaringen voor het onverklaarbare.
Een spirituele ervaring; vele duizenden jaren geleden ….
Stelt u zich de volgende situatie voor ….
Aan het eind van een hete dag zakt de zon in het woestijnachtige landschap langzaam richting de horizon. De prachtige avondkleuren van de zon betoveren de ontzagwekkende omgeving van Uluru, de magische en enorme zandstenen berg, in een prachtig kleurenpalet van roodbruin naar meer helder-oranjerode tinten. In het avondlicht beleeft een groepje donker getinte mensen deze natuurlijke magie met hun blote voeten op de nog warme aarde. De Aboriginals, want dat zijn het, worden stil van het wonder, dat zich voor hun ogen voltrekt. Als de duisternis valt, verschijnen ontelbaar veel lichtjes aan het firmament samen met de opkomende maan. In het licht, dat zij geven, steekt de donkere vorm van Uluru af als een reusachtig wezen. Verder is het stil, heel stil op deze magische plek, waar als het ware de aanwezigheid van een hogere macht voelbaar is….. .

Zo begint ‘geloven’; het beleven van natuurlijke machten en krachten, die je als mens nietig laten voelen in de beleving van dat onmetelijke en fabelachtige heelal. Het roept verwondering op en leidt tot vragen als ‘hoe is dit ontstaan?’ en ‘waar komen wij vandaan?’. Vragen die zelfs voor de moderne mens met onze wetenschap en techniek voor een belangrijk deel nog steeds gelden, laat staan voor de mensen uit vroegere tijden.
Ik heb de Aboriginals als voorbeeld genomen, omdat zij één van de oudste culturen ter wereld vertegenwoordigen en zij tienduizenden jarenlang in een perfect evenwicht met de natuur hebben geleefd. Wetenschap stond tot voor pakweg 200 jaar geleden bij hen nog ver van het bed. Hun gevoel voor natuurlijke omstandigheden was bijzonder ontwikkeld en zij zullen dan ook haarfijn het gevoel van ‘een hogere macht’ hebben ervaren.
Aboriginals geloven, dat alles op deze planeet en het universum met elkaar in verbinding staat. Zij geloven in de ‘Droomtijd’, de heilige tijdsperiode waarin de voorouderlijke geesten de aarde en het heelal schiepen. De huidige Aboriginals hebben de heilige taak om de verhalen door te geven, de droomsporen te onderhouden en het erfgoed niet alleen te bewaken, maar ook verder te onderhouden en te ontwikkelen. De scheppingstijd duurt dus nog altijd voort en daarmee hun leven in de Droomtijd. Zij zijn dus deel van het scheppingsverhaal(1). Afbeeldingen 01 en 02. Afb. 01: Foto van Uluru, herkomst site ‘Droomplekken.nl’. Afb. 02: Aboriginal Rots Kunst in Ubirr, deel van het Kakadu national Park. Herkomst ‘Kakaduinternationalparktours.com.au’ en dan het blog van Ubirr.
Omdat ‘geloven’ universeel is en mensen en culturen zeer divers, zijn de inhoud en de wijze waarop geloof zich presenteert schier oneindig.
Tijdens de prehistorie(2) werden wereldwijd goden of geesten ( van voorouders b.v. ) vereerd. Belangrijke natuurlijke verschijnselen ( zoals de zon, de maan, donder en bliksem e.d. ), maar evenzo belangrijke dingen als de vruchtbaarheid, strijd en jacht kregen vaak een goddelijke naam.
De ontwikkeling van de mens(3).
De ontwikkeling van de mens verliep niet in een rechte lijn van onze vroegste voorouders naar ons. Het begin van de mensheid wordt gelegd op zo’n 2,4 miljoen jaren geleden toen de evolutie zover was, dat de eerste mensachtigen stenen werktuigen gingen maken en gebruiken. Dat was op het continent Afrika. Gedurende de evolutie ontstonden en verdwenen mensensoorten. Om een idee te geven, onderstaand de vijf bekendste mensensoorten.
Homo habilis – de vaardige mens
Deze leefde van 2,4 – 1,5 miljoen jaar geleden in Afrika. De soort staat bekend om zijn vele verfijnde stenen werktuigen.
Homo ergaster – de vlijtige mens
Zij leefden 1,9 – 1,3 miljoen jaar geleden, eveneens in Afrika. Er is een theorie, dat deze soort de eerste was, die het vuur leerde gebruiken. Zeker is dat echter niet.
Homo erectus – de rechtopstaande mens
Deze soort leefde van 1,9 miljoen tot 200.000 jaar geleden. Zij verspreidden zich van Afrika naar Azië.
Homo neanderthalensis – de Neanderthaler
Zij leefden van ongeveer 250.000 tot 25.000 jaar geleden in Europa en West-Azië. Neanderthalers waren robuuster gebouwd en hadden grotere hersenen dan moderne mensen. Ze jaagden onder andere met speren op mammoeten.
Homo sapiens – de denkende mens
Deze mensensoort ontstond ongeveer 200.000 jaar geleden in Oost-Afrika en verspreidde zich over alle continenten. In Europa en West-Azië vermengden deze moderne mensen zich met Neanderthalers. Moderne Europeanen hebben dan ook allemaal zo’n 1 tot 4 procent Neanderthaler-DNA.
Sommige mensensoorten hebben dus naast elkaar(4) geleefd. Men kan hooguit vermoeden, dat er in die oeroude tijden ( dus voor ‘onze’ prehistorie ) ook iets van mystiek/religieus gevoel geweest zal zijn, maar zeker weten doen we dat niet. Sowieso is er weinig uit de oudheid bekend, omdat het schrift nog niet was uitgevonden of omdat we het niet konden vertalen. Voor de wetenschap zijn we dus geheel afhankelijk van vondsten en opgravingen.
Mystiek en geloven
Van onze prehistorie kan met zekerheid gezegd worden, dat mystiek en geloven een belangrijke plaats innam in het leven der mensen. Wat voorbeelden:
Van de Aboriginals in Australië, die al zeker zo’n 40.000 jaar geleden daar terecht kwamen, is hun bijzondere geloof van de ‘Droomtijd’ natuurlijk bekend. In de droomtijd is volgens deze mythe de aarde ontstaan; de mythe beschrijft hoe hun voorouders als geesten door het landschap reisden en daarbij de gedaanten aannamen van kangoeroes, vogels en slangen. Een belangrijk kenmerk van hun geloof is het toekennen van een ziel aan een dier. Dat spruit voort uit hun groot respect voor het leven in een wezen en uit zich bijvoorbeeld door een gedode prooi te bedanken voor het geven van hun leven.
Frappant is, dat de Inuit(5) iets soortgelijks kennen. De Inuit hadden geen goden, maar ze vereerden geesten. De Inuit geloofden dat alles een ziel of een geest had. Ook zij kenden daardoor een groot respect voor hun prooi. Wanneer een jager een dier, dat zich als prooi aandiende doodde, hield hij een kleine ceremonie. Hij wilde er zeker van zijn, dat de ziel van de gedode prooi terug naar de niet-aardse wereld ging om later opnieuw als prooidier te kunnen terugkeren op aarde.
Volgens de Inuit van Alaska, Siberië en Canada was de schepper van de aarde en de mensheid een raaf. Deze raaf wordt de ‘Vader der Raven’ genoemd.
Ook dit valt op, want in veel prehistorische geloven komt de raaf voor; zowel in goede als slechte zin. De raaf heeft in vele culturen symbolische betekenis; het is een goddelijke vogel, omdat hij kan spreken en als zodanig het symbool is voor profeten.
Die worden immers ook gezien als spreekbuis namens de goden. Enkele voorbeelden:
In de Scandinavische en Germaanse mythologie heeft de god Odin of Wodan(6) twee raven op zijn schouder; de ene is Hugin ( = denker ), de ander Munin ( = gedachtenis ). Beide komen Odin/Wodan vertellen wat ze gezien hebben.
Noormannen en Vikingen gebruikten de afbeelding van de raaf als hun waarmerk.
De Kelten kenden er goddelijke kracht aan toe; waarzeggerskunst, overwinning in de strijd en vruchtbaarheid. Een volledig zwarte raaf is een boos teken, maar heeft hij een witte vlek, dan brengt hij geluk.
Bij de Grieken en Romeinen is de raaf het symbool voor een lang leven; hij is de boodschapper van Apollo, de zonnegod.
Bij de Egyptenaren daarentegen was de raaf het symbool voor het kwaad.
De Chinezen brachten hem in verband met de zon; een driebenige raaf verbeeldt de tijden van de zon, t.w. opkomst, zenit en ondergang.
De Indianen zagen de raaf als schelm.
Wat ik met deze voorbeelden heb proberen duidelijk te maken is enerzijds dat tijdens de prehistorie ‘geloven’ wijdverbreid was, maar er bovendien parallellen te ontwaren zijn in de verschillende geloven. Dat roept de these op, dat bepaalde vormen van geloven tijdens de wereldwijde verspreiding van de mens voortdurend zijn doorgegeven. Dat dit vooral in de vorm van voorouderverering(7), natuurgoden, geesten en symbolen ( zoals de raaf ) gestalte kreeg, is gezien hun leefomstandigheden logisch. Overigens ondersteunen wereldwijde antropologische(8) onderzoeken bovengenoemde these en wordt steeds duidelijker via welke lijnen de mens zich verspreid heeft en hoe bepaalde verwantschappen zijn te verklaren. Tijd voor de volgende stap op onze weg naar de Kerstening van Twente.

Grieken en Romeinen
Om de prehistorie te verlaten heb ik niet gekozen voor de weg via de Oudegyptische geloof-cultuur, maar voor de Griekse en Romeinse, omdat die qua inhoud en ontwikkeling rechtstreekser aansluit bij onze streekgeschiedenis. Daarom dompelen we ons eerst onder in de Griekse- en Romeinse mythologie en wel in die volgorde, omdat de Romeinse mythologie deels voortkomt uit de Griekse.
De Griekse mythologie(10) dateert al zeker van 800 v.Chr., maar sommige Griekse mythologieverhalen stammen al uit 2.000 v. Chr. en soms nog ouder.
Via overlevering zijn zij blijven leven onder de bevolking.
Dat we met zekerheid het jaar 800 v. Chr. kunnen noemen is gebaseerd op de geschriften van Homerus, die leefde van ca. 800–750 v. Chr. De beroemdste epische gedichten van Homerus zijn de Ilias en de Odyssee, waarin hij tal van overgeleverde heldensagen, godenverhalen en mythische vertellingen uit zijn cultuur verwerkte. Het zijn de oudst bekende en bewaard gebleven literaire werken uit de Griekse letterkunde.
De mythologie is kortgezegd een hulpmiddel om het onverklaarbare te verklaren. Verschijnselen, die je als mens niet kunt verklaren, maar er wel zijn; dan moeten er wel mythische krachten werkzaam zijn. In feite is het dus ook een poging om grip op het leven te krijgen. Als het dondert en bliksemt is het veiliger om te geloven, dat er een god ontstemd is, dan onwetend te zijn over dit dreigende verschijnsel. Mythos betekent dan ook ‘woord’ of ‘verhaal’.
Uniek aan de Griekse en in het vervolg daarvan ook de Romeinse mythologie is, dat het verhalen zijn over goden en halfgoden, die dicht bij de mens staan. Bij de Grieken was dat min of meer letterlijk het geval. Volgens Homerus was de berg Olympus het ‘Huis der Goden’. Die zouden daar in grote luxe wonen in paleizen met bronzen vloer. Het was speciaal de verheven woonplaats van de oppergod Zeus, de belangrijkste god van het pantheon(11). Hij was dan ook de hemelgod, aan wie de natuur en al zijn verschijnselen onderworpen waren en zo werden bijvoorbeeld bliksem, wolken, regen en sneeuwval door hem veroorzaakt. Zeus woonde er niet alleen, maar samen met 11 andere goden(12).


Een leuk weetje in dit kader is, dat de klassieke Olympische Spelen, die voor het eerst in 776 v. Chr. gehouden werden in het stadje Olympia(13), een sterk religieus karakter hadden. Zeer waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit offerplechtigheden, die de oude Grieken uitvoerden om hun goden gunstig te stemmen. Die spelen duurden vijf dagen en aan het brengen van offers aan Zeus werd meer tijd besteed dan aan het sporten zelf. Overigens hebben deze klassieke Olympische Spelen ruim 1.000 jaar bestaan!
Door de expansiedrift van de Romeinen werd ook Griekenland onderdeel van het Romeinse Rijk. Aan het eind van de 1ste eeuw voor Chr. was heel Griekenland in handen van de Romeinen.
Aanvankelijk waren de Romeinen erg wreed naar de Grieken, die erg onderdrukt werden. Langzaam maar zeker ontdekten de Romeinen echter de Rijke cultuur van de Grieken en ging er een nieuwe wereld voor ze open. Door de Grieken ontwikkelden de Romeinen zich. Zo leerden ze het Griekse alfabet, dat zij gebruikten om het Latijnse alfabet te maken. Tevens gingen ze theaters en tempels bouwen in Griekse stijl. Steeds meer Romeinen namen Griekse leraren aan om hun kinderen Grieks te leren. Griekse verhalen worden in het Latijns vertaald en zo komt de Griekse cultuur naar Rome toe. De Romeinen gingen in de Griekse goden geloven en gaven deze goden Latijnse namen. Zo werd Zeus in het latijn Jupiter genoemd, Artemis werd Diana, Aphrodite werd Venus en zo verder. Zo versmolten beide culturen grotendeels tot een Grieks-Romeinse cultuur, waarbij echter wel elementen uit hun oorspronkelijke culturen behouden bleven.

Hun beider geloven echter waren steeds meer op elkaar gaan lijken.
Het Romeinse geloof was een staatsgeloof. Iedereen werd dus geacht dit geloof te beoefenen. In het immense Romeinse Rijk was niet iedereen daar even gelukkig mee. Zo kwamen de Joden, die leefden in het oosten van het Rijk, er ernstig door in de problemen. Inherent aan hun geloof mochten ze alleen hun eigen God vereren en dat stond haaks op het Romeinse geloof. Omdat de Romeinen met harde hand hun geloof wilden invoeren, riep dat veel onrust op.
In die onrustige tijd werd in het jaar 0 Jezus van Nazareth geboren, die geïnspireerd werd door de opvattingen van Johannes de Doper. Deze predikte een geloof van naastenliefde en hulp aan zwakkeren en dat sprak Jezus zeer aan. Jezus groeide uit tot voorganger in deze leer. Omdat er in de harde Romeinse samenleving nooit ruimte voor een dergelijk geluid was geweest, werd deze nieuwe leer goed ontvangen en groeide het aantal volgers explosief. De Romeinen ervoeren dat als een bedreiging en zagen Jezus steeds meer als staatsgevaarlijk. We kennen allemaal de afloop, die Jezus met zijn leven moest betalen. Daarmee was deze leer echter niet verdwenen; het feit, dat Jezus en na hem nog meerdere martelaren hun leven voor deze leer gaven, maakte dusdanige indruk, dat de aanhang steeds groter werd. Rond het jaar 100 n. Chr. was de term Christendom dan ook gevestigd. Joden en Christenen bleven vervolgd worden, maar langzaamaan veranderde het tij. Door de Romeinse veroveringen kwamen zij in contact met de Galliërs, de Belgae en de Germanen(14) en zij leerden daardoor ook andere culturen kennen, waardoor ook enig begrip ontstond voor afwijkende opvattingen.
De echte ommekeer kwam onder Keizer Constantijn de Grote (ca. 280–337). Volgens overlevering zou Constantijn vlak voor een voor hem cruciale veldslag Christelijke steun ontvangen hebben, waardoor hij de slag won. Uit dankbaarheid vaardigde hij in 313 het ‘Edict van Milaan’ uit ( ook wel het Tolerantie-edict genoemd ), dat de Christenen in het Romeinse Rijk vrijheid van godsdienst gaf. De christenvervolgingen kwamen hiermee ten einde.
Bovendien gaf hij de bisschoppen meer macht en gaf hij opdracht tot de bouw van belangrijke kerken, zoals de St. Pietersbasiliek te Rome(15) en de Heilig Grafkerk te Jeruzalem. Op zijn sterfbed liet hij zich nog bekeren en werd zodoende de eerste christelijke keizer.

Nog in dezelfde eeuw, namelijk in 394, maakte keizer Theodotius van het Christendom de officiële staatsgodsdienst! Het Romeinse Rijk strekte zich toen uit van Noord-Engeland tot diep in Egypte en een strook langs de gehele Afrikaanse kust van de Middellandse Zee.
Het West-Romeinse Rijk ( 285-476 )
Inmiddels was door keizer Diocletianus in 285 besloten om het Romeinse Rijk administratief op te delen in een oost- en een west-deel. Hij was tot het inzicht gekomen, dat het Rijk wegens steeds terugkerende problemen op bestuurlijk en economisch gebied plus bovendien een haperende grensbewaking te groot geworden was om als één geheel door één keizer bestuurd te worden. De hoofdstad van het West-Romeinse Rijk was niet langer Rome, maar Milaan (van 286-402) en vervolgens Ravenna (van 402-476). Onder keizer Constantijn, die naast de eerste christelijke keizer en stichter van beroemde kerken ook de stichter van Constantinopel (dat de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk werd) was, bleven beide delen nog onder één keizer. Daarna kregen beide delen hun eigen keizer(16).
Nu het Christendom door keizer Theodotius tot staatsgodsdienst was verheven, nam natuurlijk ook het belang ervan toe. Door de splitsing van het Rijk ontstonden er in beide delen in de loop der tijd twee stromingen, te weten het Oosters Christendom (ook Byzantijns genoemd) en het Westers Christendom, dat later het Rooms-Katholicisme werd genoemd.
Het West-Romeinse Rijk was bestuurlijk van mindere kwaliteit en dus ook qua stabiliteit, dan het Oosters deel, dat vanuit de Grieken cultuur kon bogen op veel meer bestuurlijke ervaring. Bovendien kampte het West-Romeinse Rijk met een ander zwak punt en dat was de verdediging van de lange Rijngrens. Deze werd slechts verdedigd door een lineaire defensie, namelijk de bekende limes. Er waren bijvoorbeeld geen militaire forten om de Romeinse provincies en hun onderdanen te verdedigen wanneer vijandelijke volkeren de Rijngrens eenmaal gepasseerd waren. Na de dood van keizer Theodotius in 395 ging het dan ook snel bergafwaarts met het westelijke deel van het Rijk.
Als belangrijkste oorzaak hiervoor wordt gezien het gegeven, dat tussen 300 en 400 het West-Romeinse Rijk noodgedwongen grote aantallen Germanen opnam binnen haar grenzen. Deze Germanen(17), die bondgenoten genoemd werden ( ‘foederati’ ) kregen woongebieden toegewezen in de grensstreken. Zo mochten de Franken ( ook Germaans! ) zich in 355 vestigen in delen, die we nu zuidelijk Nederland en Vlaanderen zouden noemen, op voorwaarde dat zij mee zouden helpen om de grens te verdedigen. Geleidelijk aan werd het aandeel van de Romeinse ‘bondgenoten’ groter en nam daarmee ook hun invloed toe. Naast het leveren van steeds meer Germaanse soldaten aan het Romeinse leger, groeide daardoor ook het aantal ‘officieren’ van Germaanse afkomst. Zij benutten hun inlijving om snel hogerop te komen; na een paar generaties bestond het Romeinse leger voor een groot deel uit Germanen en was de legertop zelfs grotendeels Germaans. Omdat legeraanvoerders in het Romeinse Rijk vaak de werkelijke macht hadden, verschoof die macht dus steeds meer naar de Germaanse generaals. De elkaar opvolgende keizers werden al gauw als niet meer dan stromannen beschouwd.

Omdat de legers vaker ingezet werden om onderlinge oorlogen tussen keizerlijke troonpretendenten te voeren, dan aan de grenzen om binnenvallende legers tegen te houden, werd het van kwaad tot erger met het Romeinse leger.
In 407 werd het leger dan ook definitief teruggetrokken uit Britannia(19) en in 476 viel het West-Romeinse Rijk, toen de Germaanse legeraanvoerder Odoaker de toenmalige keizer Romulus Augustulus afzette en vervolgens zichzelf tot koning benoemde ( keizer kon niet, want hij was niet van Romeinse afkomst ). Einde van het West-Romeinse Rijk en het begin van de Middeleeuwen!
Twente aan het eind van het West-Romeinse Rijk
Rond het jaar 400 woonden er vooral Tubanten (een Germaanse stam) in Twente. Hun geloof was dan ook Germaans, een geloof dat veel parallellen vertoonde met het Noordse- en Keltische geloof. Bij zowel de Germaanse, Noordse als Keltische volkeren waren de rituelen, symbolen en mythische vertellingen over de kosmische en natuurgoden en –godinnen sterk verbonden met (pantheïstische)(20) natuurbeleving. Het gaat in dit kader te ver om op de verschillende geloven in te gaan, maar opvallend is wel, dat de namen van hun goden vaak inwisselbaar waren; zo is de Germaanse oppergod Wodan vergelijkbaar met de Noordse god Odin; zo heet de Germaanse godin van de liefde en vruchtbaarheid Freyja, de Noordse Freya en de Keltische Aine. Zij zijn weer een soort evenknie van de Romeinse Venus, godin van de liefde.
Tussen al die godsdiensten zijn dus parallellen te vinden, die vanwege hun enorme verspreiding niet alleen op toeval kunnen berusten.
Hoe dan ook, wij hebben er in ieder geval de namen van de weekdagen aan over gehouden. Want hoe komen die aan hun naam?
Welnu, de Romeinen hadden van de Grieken het gebruik overgenomen om de dagen te noemen naar hemellichamen; de zon, de maan en vijf planeten.
Thingsus, Wodan, Donar en Freya.
Maandag; een vertaling van het Latijnse ‘dies lunde’ ( dag van de maan ).
Dinsdag; vernoemd naar Thingsus, de gelatiniseerde naam voor Tiwaz ( Germaans ) of Tyr ( Noords), de oorlogsgoden en tevens de goden van de gerechtigheid en volksvergadering. Het stamt van ‘dies Martis’, de dag van Mars, de Romeinse oorlogsgod.
Woensdag; genoemd naar Wodan ( Germaans ) of Odin ( Noords ), de oppergod. Voor de Romeinen was dit de ‘dies Mercurii’, de dag van Mercurius, de god van handel, reizigers en winst.
Donderdag; vernoemd naar Donar ( Germaans ) of Thor ( Noords ), de god van de donder. Deze werd vereenzelvigd met de Romeinse god van het onweer, Jupiter.
Vrijdag; genoemd naar Freya, haar Romeinse tegenhanger is Venus.
Zaterdag; een vertaling van het Latijnse ‘dies Saturni’, de dag van Saturnus, de god van de landbouw. Zater is een verbastering van Saturnus.
Zondag; een vertaling van het Latijnse ‘dies solis’, dag van de zon.
Deze planeten waren op hun beurt genoemd naar goden. De Germanen hebben vervolgens vier van die godennamen ‘vertaald’ naar hun eigen goden; De Germaanse bewoners van Twente, de Achterhoek en Salland ging het in de 3de en 4de eeuw (de laat-Romeinse tijd) redelijk voor de wind(21). De bewoners van deze streken hebben veel meer geprofiteerd van de aanwezigheid van de Romeinen, dan gedacht. De Rijn vormde vanaf de 1e eeuw na Christus de beveiligde noordgrens van het Romeinse Rijk. Reeds vanaf ongeveer het jaar 200 vonden er intensieve contacten plaats met volken ten noorden van die grens. De Germanen in dit gebied hebben de Romeinen in de 3de en 4de eeuw zo’n beetje als gelijkwaardige partners gezien. Veel bewoners uit deze streken dienden in de Romeinse legioenen, er was handel en de Germanen namen Romeinse technieken over. Als gevolg daarvan groeiden nederzettingen van twee à drie naar zes à zeven boerderijen. Ook munt- en goudvondsten uit die periode, maar eveneens de vondst van brons en ijzerslakken wijzen op een toegenomen bedrijvigheid en welvaartsgroei.
Toen de Romeinen rond 400 wegtrokken uit het Nederlandse gebied eindigde die bloei. In die periode woonden er in heel Twente, Salland en Achterhoek samen maar zo’n 20.000 tot 30.000 mensen. Er zullen van oudsher al lang wat Saksen in Twente gewoond hebben; het waren immers onze buren (Niedersachsen en Westfalen waren Saksisch ) en uitwisseling/handel is er altijd geweest. Vanaf de 5de eeuw nam het aantal Saksen toe en daarmee hun invloed op de cultuur.
De Grote Volksverhuizing(22)
In het kader van dit artikel is het belangrijk om bepaalde volkerenbewegingen te kennen.
We beginnen met de Kelten. Kelten is een verzamelnaam van volkeren en stammen, die de Keltische taal spreken. Het is dus primair een linguïstisch begrip. De Keltische taal behoort tot de Indo-Europese taalfamilie. Rond het begin van onze jaartelling ( het jaar 0 dus ) bevolkten Keltische stammen de Britse Eilanden, Gallië, het Iberisch Schiereiland, maar ook delen van Midden-Europa, de Balkan en zelfs Anatolië ( ze werden daar Galaten genoemd ). Voor ons verhaal zijn de Britse Kelten van belang. Veel Kelten zijn tijdens de Romeinse bezetting geromaniseerd en aangezien het Christendom de officiële Romeinse staatsgodsdienst was, dus ook christelijk.(23)
In de loop van de 5de en 6de eeuw trokken veel stammen afkomstig uit het noordwesten van Nederland en Duitsland (de Angelen, de Saksen en ook Friezen) maar ook uit Denemarken ( de Juten ) naar Engeland en vestigden zich daar. Zo woonden de Saksen vooral in het zuiden van het land, de Juten in het zuidoosten ( Kent ) en de Angelen bewoonden het grootste gebied, het midden en noorden. De geromaniseerd Kelten werden uit die gebieden verdreven naar de uithoeken van het eiland. Zij zijn de voorouders van de huidige bewoners van Wales en Cornwall. De verzamelnaam voor al die verschillende stammen is Angelsaksen.

Noten
- Een overweldigend en van een diepe levensbeschouwing getuigend geloof van een volk, dat wij aanvankelijk als uiterst primitief hebben beschouwd. Uit dit bijzondere geloof spruit de grote zorg van de Aboriginals voort voor alles wat leeft, groeit en bloeit in hun leefgebied. De zogeheten ’droomsporen’ maken deel uit van hun geloof; op zijn simpelst geformuleerd zijn het sporen, die letterlijk dwars over het Australische continent lopen en reizen van oeroude wezens beschrijven.
- Met prehistorie wordt hier de periode van de Homo sapiens bedoeld, dus van zo’n 200.000 jaar geleden tot ongeveer 3.300 v. Chr., het begin van het voor ons leesbare schrift, namelijk de Oudegyptische hiërogliefen.
- Conform Historianet.nl
- In de betekenis van ‘in dezelfde periode’
- Huidige naam voor de Eskimo; zo besloten op de Inuit Circumpolar Conference van 1977. Inuit is de meervoudsvorm van inuk, dat in hun taal mens betekent.
- Odin is de Noordse/Scandinavische oppergod; zijn Germaanse evenbeeld is Wodan.
- Voorouderverering is een systeem van rituelen en aanroeping van overleden verwanten. Het is gebaseerd op de overtuiging dat de geesten van de doden in de natuurlijke wereld blijven bestaan en de bevoegdheid hebben om het lot van het leven te beïnvloeden.
- Antropologie is de wetenschap, die de mens in al zijn aspecten, zowel fysiek als cultureel, bestudeert.
- Een stamnos is een vorm van Grieks aardewerk, bedoeld om vloeibare stoffen in te bewaren.
- Definitie Mythologie: Het geheel van verhalen en denkbeelden van een bepaalde cultuur waarin belangrijke vragen aan bod komen, zoals de oorsprong van de mens, de wereld en natuurverschijnselen. Een mythologie kan in de loop der tijd veranderen en meegroeien.
- Het Pantheon was het geheel van godheden in een religie of mythologie. Het wordt vooral gebruikt, zoals in de Griekse mythologie, wanneer de goden wereld een duidelijke structuur krijgt met een bepaalde hiërarchie.
- Dat waren naast Zeus ook Hera, Poseidon, Demeter, Hermes, Athena, Ares, Aphrodite, Apollo, Artemis, Hephaistos en Hestia; voorwaar niet de minste goden! Zij worden de Olympische goden genoemd.
- Olympia is een stadje op de Peloponnesos. Volgens de Unesco verwees de naam van deze plaats naar de berg Olympus, met 2.917 m. de hoogste berg van Griekenland en in de mythologie de woonplaats van de Olympische goden. De berg ligt veel centraler in Griekenland en een behoorlijk eind verwijdert van het stadje Olympia. Al in de 10de eeuw voor Christus werd Olympia een centrum voor verering van Zeus, compleet met een aan hem gewijde grote tempel.
- Galliërs en Belgae waren in grote lijnen de bewoners ten zuiden van de Rijn en de Germanen de bewoners ten noorden van de Rijn oftewel het gebied, dat nooit bij het Romeinse Rijk gehoord heeft.
- De in opdracht van Constantijn gebouwde St. Pietersbasiliek was in de 15de eeuw in dusdanig slechte staat, dat hij is gesloopt en een nieuwe (de huidige) St. Pietersbasiliek is gebouwd.
- Op een kleine onderbreking van 2 jaar na, namelijk van 361-363, toen Keizer Julianus Apostata probeerde het tij te keren.
- De Germanen is een verzamelnaam voor de volken en stammen uit de oudheid, die een Germaanse taal spraken, zoals de Bataven, de Gothen, de Saksen, de Friezen e.d.. Ze ontwikkelden een eigen alfabet in runen. Het gebied, dat door de Romeinen ‘Germania Magna’ werd genoemd, omvatte zo’n beetje het hele gebied, dat wij tegenwoordig West-Europa noemen, en niet onder het Romeinse Rijk viel. Alles oostelijk en ten noorden van de Rijn was voor hen dus ‘Germaans’. Overigens was dit de periode, die in de geschiedenis bekend staat als de ‘grote volksverhuizing’. De reden daarvoor was de dreiging van de steeds verder oprukkende Hunnen, die onder aanvoering van hun leider Attila reeds grote delen van Europa veroverd hadden.
- Ook hier loopt een ‘Born’s lijntje’! De Hoge Woerd is ontworpen door een architecten collectief; één van de deelnemende architecten was Imre van der Gaag, die jarenlang in Borne gewoond heeft. Thans is hij werkzaam bij een architectenbureau te Amsterdam.
- Het gebied van het huidige Engeland en Wales.
- Pantheïsme is het geloof in meerdere ( soms wel honderden! ) goden; dit in tegenstelling tot het monotheïsme, het geloof in één god.
- Conform Henk van der Velde, hoofd archeologie bij ADC in Amersfoort, in een proefschrift.
- De Grote Volksverhuizing vond plaats tussen de 4de en 6de eeuw. De aanleiding is meerledig; enerzijds de oprukkende Hunnen, die veel volkeren verdreven en anderzijds de terugtrekking van de Romeinen uit grote delen van Europa. De gebieden, die zij achterlieten werden vervolgens bewoond door bewoners van elders.
- In de eerste eeuwen na Christus was er op de Britse eilanden en Ierland sprake van een Keltisch christendom. Vanaf eind 2de begin 3de eeuw ontstond onder de Keltische bevolking van Brittannië (zie eindnoot 16 ) de Vroeg-Britse kerk. De noordgrens lag bij de muur van Hadrianus. In 398 werd er een klooster gesticht in Whithorn met de naam Candida Casa, dat een belangrijk opleidingscentrum werd, waar ook veel Ierse monniken naar toe kwamen. Zeer vermoedelijk heeft het Egyptische kloosterleven in die eerste eeuwen bijgedragen aan de bekering van Engeland. In ieder geval bestaat er geen twijfel over de tamelijk hechte banden die er waren tussen de Kerk van Egypte en de Kerk van Ierland.
(–> naar PDF-versie van deze publicatie)
(–> naar Inhoudsopgave 2024-01)
(–> naar Boorn & Boerschop pagina)